Elektriciteit

Advies Hoge Raad over aanpassing KB arbeidsplaatsen

De vorige Minister van Werk heeft nog bij brief een ontwerp van KB tot wijziging van het KB basiseisen arbeidsplaatsen overgemaakt aan de Voorzitster van de Hoge Raad PBW. Dit ontwerp heeft tot doel het KB basiseisen arbeidsplaatsen aan te passen op het vlak van de verlichting (afdeling III) en de luchtverversing (afdeling IV). De meningen over het ontwerp zijn verdeeld.

Het ontwerp heeft de volgende krachtlijnen:

  • Huidig art 34 KB basiseisen arbeidsplaatsen: "Arbeidsplaatsen waar werknemers bij het uitvallen van de kunstverlichting aan bijzondere risico's zijn blootgesteld, zijn uitgerust met een voldoende sterke noodverlichting.”

In het kader van de noodverlichting wordt verduidelijkt dat het gaat om arbeidssituaties waar werknemers bij het uitvallen van de kunstverlichting aan een verhoogd risico worden blootgesteld.

Het begrip “bijzondere risico’s” is teveel voor interpretatie vatbaar en leidt tot verwarring. Bovendien wordt een verwijzing naar de norm NBN EN 1838 toegevoegd. Deze norm bepaalt de fotometrische voorschriften van de noodverlichtingssystemen die in instellingen waar deze vereist zijn, moeten worden voorzien.

  • Huidig art. 35 KB basiseisen arbeidsplaatsen: “De werkgever bepaalt, op grond van de resultaten van een risicoanalyse, aan welke voorwaarden de verlichting van de arbeidsplaatsen, al dan niet in open lucht, evenals van de werkposten moet beantwoorden teneinde ongevallen door de aanwezigheid van voorwerpen of hindernissen en vermoeidheid van de ogen te voorkomen.De werkgever die de vereisten van de norm NBN-EN 124 64-1 en de norm NBN EN 124 64-2 toepast bij het bepalen van de voorwaarden inzake verlichting wordt vermoed te hebben gehandeld in overeenstemming met het eerste lid. Wanneer de werkgever de normen bedoeld in het tweede lid niet wenst toe te passen, moet de verlichting tenminste beantwoorden aan de voorwaarden die zijn vastgesteld door de Minister van Werk.”
Er wordt een bijlage II toegevoegd die handelt over de minimumvoorschriften waaraan de verlichting van de arbeidsplaatsen moet beantwoorden indien de werkgever de norm NBN EN 12464-1 en de norm NBN EN 12464-2 niet wenst toe te passen. Volgens de huidige tekst dienen deze voorwaarden te worden vastgesteld door de Minister van Werk, wat tot op heden nog niet is gebeurd.
  • Het begrip “zuivere lucht” wordt vervangen door het begrip “verse lucht” met het oog op een consequent gebruik van dezelfde termen. Er werd gekozen voor “verse lucht” aangezien lucht in principe nooit volledig zuiver kan zijn.  
     
  • Opdat de werknemers over voldoende verse lucht zouden beschikken dient de werkgever erover te waken dat het ventilatiedebiet 20 liter per seconde per persoon bedraagt of dat de CO2-concentratie lager is dan 800 ppm. Deze nieuwe bepaling is aangepast aan de huidige wetenschappelijke inzichten betreffende de gezondheidseffecten door een tekort aan verluchting en geeft de werkgever de mogelijkheid een gemakkelijk uitvoerbare meting van de CO2-concentratie uit te voeren wanneer het ventilatiedebiet niet kan bepaald worden. Deze twee drempels garanderen een gelijkwaardige bescherming van de gezondheid van de werknemer.  
     
  • Indien een luchtverversingsinstallatie wordt gebruikt dient deze installatie zodanig ingesteld te zijn dat de over een werkdag gemiddelde relatieve luchtvochtigheid, indien technisch haalbaar, tussen 40 en 60 % ligt. Voorheen werd er verwezen naar de wetenschappelijke normen betreffende de relatieve luchtvochtigheid. Aangezien er geen dergelijke wetenschappelijke normen voorhanden zijn, bepaalt het koninklijk besluit voortaan aan welke normen inzake relatieve luchtvochtigheid moet voldaan worden. Bovendien wordt een uitzondering voorzien: de relatieve luchtvochtigheid mag tussen 35 en 70 % liggen indien de werkgever aantoont dat de lucht geen chemische of biologische agentia bevat die een risico kunnen vormen voor de veiligheid en de gezondheid van de aanwezige personen op de arbeidsplaats.

Advies

De Hoge Raad voor Preventie en Bescherming geeft een verdeeld advies betreffende het ontwerp. De werknemersvertegenwoordigers geven een gunstig advies, de werkgeversvertegenwoordigers een ongunstig.

De werknemersvertegenwoordigers geven een gunstig advies en voegen er volgende opmerkingen aan toe:
  • De werknemersvertegenwoordigers vragen dat op het ogenblik van de publicatie van het koninklijk besluit meteen ook een toelichting beschikbaar is en bekendgemaakt wordt.
  • De werknemersvertegenwoordigers vragen dat artikel 34 duidelijk toegelicht zou worden en dat de essentiële bepalingen vervat in NBN EN 1838 letterlijk zouden opgenomen worden in dit artikel, zodat het niet nodig is de norm te raadplegen om te weten wat moet gedaan worden, dit omdat de norm niet gratis is.
  • De werknemersvertegenwoordigers vragen dat de inhoud van artikel 34 dat een uitzonderingssituatie betreft, geplaatst wordt na artikel 35 dat een algemene strekking heeft. In het KB dient ook een definitie gegeven te worden van de begrippen “noodverlichting”, “evacuatieverlichting”, “veiligheidsverlichting”. Ook de waarden van de norm “voldoende sterke verlichting” dienen opgenomen in het KB.
  • De werknemersvertegenwoordigers vragen dat uitgelegd wordt wat de betekenis is van “de werkgever zorgt ervoor” in de 1ste alinea van artikel 36 en van “waakt de werkgever erover” in de 2de alinea van artikel 36.
  • In het tweede lid van art 36 ontbreekt de bepaling dat het vereiste ventilatiedebiet wel degelijk slaat op verse lucht.
  • De werknemersvertegenwoordigers vragen dat in de Franstalige versie van artikel 38, 1ste lid, 3° “l’humidité relative moyenne” geschreven wordt omdat in het Nederlands “gemiddelde relatieve luchtvochtigheid” vermeld staat.
  • De werknemersvertegenwoordigers vragen dat duidelijk gemaakt wordt dat verse lucht ook gerecycleerde lucht mag zijn en niet enkel buitenlucht.
  • De werknemersvertegenwoordigers vragen de verenigbaarheid van dit ontwerp van koninklijk besluit met de gewestelijke bepalingen en normen rond energieprestaties en binnenklimaat van gebouwen te onderzoeken.
De werkgeversvertegenwoordigers geven een ongunstig advies en voegen daar volgende opmerkingen aan toe:
  • De vertegenwoordigers van de werkgevers betreuren dit ontwerp van KB omdat de voorgestelde wijzigingen een groot impact zullen hebben op het energiegebruik van de bestaande gebouwen, zeker die met een gesloten karakter.
  • Daarnaast zijn de regels met betrekking tot de arbeidsplaatsen amper 2 jaar geleden aangepast.
  • De basis van de wijzigingen zouden klachten en/of vragen zijn. De werkgeversvertegenwoordigers zijn echter niet ingelicht over welk soort van klachten/vragen het gaat en ook niet over hoeveel klachten/vragen het gaat. Volgens de werkgeversvertegenwoordigers is de noodzaak van een wettelijk ingrijpen niet aangetoond en ze zijn ervan overtuigd dat een toelichting/leidraad samen met voorbeelden van goede praktijken een betere oplossing zouden zijn als antwoord op de probleemstelling.
  • De vertegenwoordigers van de werkgevers wensen een aantal bezwaren te formuleren met betrekking tot de voorgestelde CO2-waarden en het ventilatiedebiet. Het ontwerp KB is niet uitvoerbaar voor gebouwen waar de vensters niet manueel kunnen geopend worden. Noch het CO2-gehalte noch het ventilatiedebiet kunnen gestructureerd opgevolgd worden.
  • Het ontwerp van KB houdt absoluut geen rekening met de regionale doelstellingen wat betreft de energierecuperatie van gebouwen.
  • Het optrekken van het ventilatiedebiet in een bestaande installatie is niet zo maar uit te voeren. Ofwel zal de luchtsnelheid aan de uitlaat drastisch verhogen (zie ook de eisen in het KB thermische omgevingsfactoren wat betreft de luchtsnelheid) waardoor de werknemers in de buurt van een uitlaat in de tocht komen te zitten, ofwel zal de doorsnede van de toevoerbuizen naar een uitlaat moeten verhogen (waardoor eenzelfde uitlaatsnelheid van de lucht kan gegarandeerd worden). Deze wijziging houdt in dat de bestaande luchtkanalen worden vervangen. Ze verwijzen naar de bestaande gesloten gebouwen (o.a. het FOD gebouw aan de Blerotstraat) waar dit onmogelijk is.
  • Aangezien het ventilatiedebiet niet kan worden verhoogd, blijft het enkel mogelijk te werken met het CO2-gehalte. De regeling via de CO2: een maximum van 800 ppm betekent een voortdurende opvolging van de CO2, wat niet kan gegarandeerd worden. De CO2 in een lokaal wijzigt continu en dit afhankelijk van de activiteit in het lokaal. Dit is niet uitvoerbaar. Daar stellen de werkgevers voor om een richtwaarde in te voeren van 1200 ppm waarbij ze vragen dat er incidenteel een waarde van 1500 ppm mogelijk zou zijn (zie euronorm).
  • Tot slot vragen de werkgeversvertegenwoordigers een afwijking voor wat betreft de luchtvochtigheid (voorgeschreven tussen de 40 en de 60% RV) omdat sommige lokalen omwille van het proces of de activiteiten ofwel droog ofwel zeer vochtig moet worden gehouden.
Het advies werd doorgegeven aan de Minister van Werk.
 

Gepubliceerd op 02-04-2015

  140