Elektriciteit

Laadeenheden voor batterijen van heftrucks - ATEX-verplichting of niet?

In een grote bedrijfshal zijn twee laadeenheden voor tractiebatterijen van vorkhefvoertuigen ondergebracht. Tijdens het herlaadproces blijven de batterijen aanwezig op de voertuigen en worden ze aangekoppeld op de laadeenheden via soepele elektrische kabels. Zijn er in dit geval ATEX-verplichtingen en zo ja, hoe moeten die aangepakt worden?

Om hierop een antwoord te kunnen geven moet eerst nagegaan worden of er tijdens het laadproces een explosieve atmosfeer kan gevormd worden.
Het antwoord hierop is positief aangezien op het einde van het laadproces (gassingsfase genoemd) waterstof wordt gevormd die via de ontluchtingsdoppen van de tractiebatterijen in de omgevingsatmosfeer wordt vrijgegeven.
Tijdelijk ontstaat er dus in de onmiddellijke nabijheid van de batterijen een explosiegevaarlijke atmosfeer.

Vervolgens moet worden onderzocht of in deze atmosfeer ontstekingsbronnen tot ontwikkeling kunnen komen, zodat er sprake kan zijn van een explosiegevaar.
Aangezien het een onderdeel van een elektrische installatie betreft, is het nuttig om te onderzoeken of binnen het AREI (o.a. omzetting van de sociale ATEX-richtlijn op elektrisch vlak) een antwoord te vinden is op het gestelde probleem.

Naast de artikelen 105 tot 109 die handelen over het explosiegevaar bij elektrische installaties, handelt artikel 110 van het AREI expliciet over industriële accumulatorbatterijen (waaronder de tractiebatterijen vallen) waarbij punt e) hierop dieper ingaat:
‘De elektrische toestellen die tot ontsteking van een ontplofbaar waterstof/luchtmengsel aanleiding kunnen geven (bv. vonkend materieel) zijn opgesteld:
e.1) buiten het volume omschreven door een verticale cilinder waarvan de wand 0,5 m buiten de rand van het geheel van de accumulatorbatterijen uitsteekt en die gelegen is aan de bovenkant van deze accumulatorbatterijen met een hoogte van 0,5 m;
…’

In feite voorziet dit artikel een explosiegevaarlijke ‘zone 2 ’ waarvan de afmetingen, zoals hiervoor omschreven, zijn vastgelegd (zie figuur 1).

Figuur 1 Zonering accumulatorbatterijen


Alle types van ontstekingsbronnen (waaronder warme oppervlakken en vonkontladingen) binnen deze zone moeten voorkomen worden.
Hierbij denken we vooral aan de aansluitklemmen van de batterijen en de contactdozen gebruikt voor de aansluiting van de batterijen op hetzij de oplaadeenheden hetzij de aandrijving van de vorkhefvoertuigen.

De contactdozen moeten ofwel buiten de vermelde zone aangebracht worden ofwel explosieveilig (ATEX-gecertificeerd) uitgevoerd zijn. De figuren 2 en 3 illustreren de opstelling van een niet-explosieveilige contactdoos respectievelijk binnen en buiten de explosiegevaarlijke zone.

Figuur 2: Niet-explosieveilige contactdoos ligt binnen de explosiegevaarlijke zone – overtreding



Figuur 3: Niet-explosieveilige contactdoos ligt buiten de explosiegevaarlijke zone – in orde



De aansluitklemmen van de batterijen moeten ingevolge voormelde wettelijke bepalingen explosieveilig (ATEX-gecertificeerd) uitgevoerd zijn.
Deze zijn dit echter niet (met uitzondering van de vorkhefvoertuigen die in hun geheel ATEX-gecertificeerd zijn) en vormen een overtreding op de wettelijke voorschriften vervat in het AREI.
Als verzachtend argument kan gewezen worden op de ‘vastheid’ van de klemaansluitingen tijdens het laadproces en dit onafgezien hun gebrek aan certificering.

Onafgezien de bepalingen van het AREI, die uitsluitend betrekking hebben op elektrische installatieonderdelen, zijn de voorschriften tevens vervat in het Koninklijk besluit van 26 maart 2003 betreffende het welzijn van de werknemers die door explosieve atmosferen gevaar kunnen lopen (Titel III, Hoofdstuk 4, Afdeling X van de Codex Welzijn). Dit Koninklijk besluit vormt de algemene omzetting van de sociale ATEX-richtlijn 153.

Belangrijke administratieve geplogenheden uit deze ATEX 153-richtlijn zijn het zoneringsplan met -verslag (artikel 7) en het explosieveiligheidsdocument (artikel 8):
‘Art. 7 Plaatsen waar explosieve atmosferen kunnen voorkomen
1. De werkgever deelt de plaatsen waar explosieve atmosferen kunnen voorkomen overeenkomstig bijlage I in in zones.
…’

‘Art. 8 Explosieveiligheidsdocument
Bij het voldoen aan de verplichtingen van artikel 4 zorgt de werkgever ervoor dat er een document, hierna te noemen “explosieveiligheidsdocument”, wordt opgesteld en bijgehouden.
Uit het explosieveiligheidsdocument moet met name blijken:
  • dat de explosierisico's geïdentificeerd en beoordeeld werden,
  • dat afdoende maatregelen genomen zullen worden om het doel van deze richtlijn te bereiken,
  • welke plaatsen overeenkomstig bijlage I in zones zijn ingedeeld,
  • op welke plaatsen de minimumvoorschriften van bijlage II van toepassing zijn,
  • dat de arbeidsplaatsen en arbeidsmiddelen, met inbegrip van de alarminstallaties, met de vereiste aandacht voor de veiligheid worden ontworpen, bediend en onderhouden,
  • dat overeenkomstig Richtlijn 89/655/EEG van de Raad, voorzorgsmaatregelen voor het veilig gebruik van de arbeidsmiddelen zijn getroffen.’

 

Besluit

De voorschriften van de sociale ATEX-richtlijn zijn wel degelijk van toepassing op laadinrichtingen voor elektrische tractiebatterijen. Dit impliceert de opstelling van een explosieveiligheidsdocument voor iedere laadinrichting door de werkgever.
De batterijen zijn doorgaans niet ATEX-gecertificeerd.
Uit het voorgaande blijkt dat men zich moet onthouden om ‘onnodige supplementaire’ ontstekingsbronnen binnen het door het AREI voorziene explosiegevaarlijke gebied binnen te brengen.
 

Gepubliceerd op 13-07-2016

  254