Elektriciteit

Verschil tussen een huishoudelijke en industriële elektrische installatie

Het Algemeen Reglement op de Elektrische Installaties (AREI) omvat een mengsel aan reglementaire voorschriften die deels van toepassing zijn op ‘huishoudelijke’ elektrische installaties en deels op niet-huishoudelijke elektrische installaties in bedrijfsruimten (al dan niet met personeelsbezetting), die gemakshalve hierna worden bestempeld als ‘industriële’ elektrische installaties.

Met of zonder personeelsbezetting

De Codex Welzijn op het werk (Welzijnscodex), meer bepaald de bepalingen van Boek III Arbeidsplaatsen, Titel 2 Elektrische Installaties omvat enkel de reglementaire voorschriften van toepassing op industriële elektrische installaties in werkruimten met personeelsbezetting (zoals bedoeld in art. 28 van het Algemeen Reglement voor de Arbeidsbescherming).

Men kan dus vaststellen dat de voorschriften aangaande de elektrische installaties in bedrijfsruimten met personeelsbezetting verspreid zitten over twee wetgevingen: deze vervat in de Welzijnscodex en deze vervat in het AREI.

Merk bovendien ook nog op dat voor een aantal bijzondere inrichtingen (bv. ziekenhuizen, opslagplaatsen voor vloeibaar gemaakt handelspropaan, handelsbutaan of mengsels daarvan in vaste ongekoelde houders …) een aantal specifieke elektrische voorschriften zijn opgenomen in afzonderlijke besluiten getroffen door federale of gewestelijke overheden.

Industrieel zonder personeelsbezetting of huishoudelijk?

Terwijl de bedrijfsruimten of plaatsen met personeelsbezetting duidelijk identificeerbaar zijn, vergt het onderscheid tussen een bedrijfsruimte of plaats zonder personeelsbezetting en een huishoudelijke ruimte (m.a.w. het verschil tussen een ‘huishoudelijke’ ruimte en een ‘industriële’ ruimte zonder personeelsbezetting) wat meer uitleg.

Een huishoudelijke elektrische installatie kan als volgt omschreven worden:
  • ofwel een elektrische installatie, samengesteld uit een of meerdere installatie-eenheden:
    • die hetzij een wooneenheid, hetzij een huishoudelijke werkeenheid, hetzij de gemeenschappelijke delen van een residentiële eenheid voeden.
    • en die aan een en dezelfde natuurlijke persoon of rechtspersoon of aan een geheel van mede-eigenaars toebehoren;
  • ofwel een productiemiddel van elektrische energie en de elektrische installatie die een wooneenheid of huishoudelijke werkeenheid of de gemeenschappelijke delen van een residentieel geheel bedienen.
Onder:
  • wooneenheid wordt verstaan een huis, een appartement, een lokaal of een geheel van lokalen dat als woning dient voor een of meerdere personen die in familieverband of als gemeenschap leven;
  • huishoudelijke werkeenheid wordt verstaan het of de lokalen die niet tot de wooneenheid behoren en die voorbehouden zijn om er werken in uit te voeren door personen die niet onder het toepassingsgebied vallen van artikel 28 van het Algemeen Reglement voor de arbeidsbescherming en die evenmin ingedeeld zijn als gevaarlijke, ongezonde of hinderlijke inrichtingen (t.t.z. niet als gevaarlijk, ongezond of hinderlijk ingedeelde werkruimten en plaatsen, waarin alleen zelfstandigen werken);
  • residentieel geheel wordt verstaan een geheel van wooneenheden, eventueel van huishoudelijke werkeenheden die aan een of meerdere natuurlijke personen, of rechtspersonen toebehoren, eventueel in mede-eigendom, en van gemeenschappelijke lokalen die in mede-eigendom toebehoren aan eigenaars van wooneenheden of huishoudelijke werkeenheden;
  • gemeenschappelijke delen van een residentieel geheel: het of de lokalen van een residentieel geheel die in mede-eigendom toebehoren aan de eigenaars van wooneenheden en eventueel van huishoudelijke werkeenheden.

Huishoudelijke werkeenheden

Merk ook op dat veruit de meeste werkeenheden zonder personeelsbezetting niet als ‘huishoudelijke werkeenheden’ worden bestempeld aangezien ze opgenomen zijn in de lijst van als gevaarlijk, ongezond of hinderlijk ingedeelde inrichtingen (in de besluiten van de Vlaamse Gewestregering kortweg ‘ingedeelde inrichtingen’ genoemd).

Zo vallen werkeenheden zoals schrijnwerkerijen, metaalwerkplaatsen, koetswerkbedrijven, enz., ook als er geen personeel in wordt tewerkgesteld, geenszins onder het begrip huishoudelijke werkeenheid, aangezien ze allemaal opgenomen zijn in de lijst van de ‘ingedeelde inrichtingen’ van het Vlaams Gewest.

Na raadpleging van deze zeer uitgebreide lijst zou men als voorbeelden van een huishoudelijke werkeenheid de ontvangstruimten en de werkvertrekken van een geneesheer, een tandarts, een advocaat of een architect kunnen vooropstellen en dit voor zover deze geen personeel tewerkstellen.

Kortom: uitzonderlijk weinig inrichtingen behoren tot de ‘huishoudelijke werkeenheden’.

Werkeenheden die niet onder het toepassingsgebied van een huishoudelijke werkeenheid vallen moeten dus beschouwd worden als vallend onder het toepassingsgebied van industriële werkeenheden (hun elektrische installaties moeten dus als industriële elektrische installaties worden beschouwd).

Bij het ontwerp, de uitbouw en de keuring van een elektrische installatie is het van het allergrootste belang te weten tot welk type de installatie behoort: huishoudelijk of industrieel.

Het AREI is inderdaad een mengelmoes van artikelen; een aantal ervan zijn alleen van toepassing op huishoudelijke elektrische installaties, een ander aantal zijn alleen van toepassing op industriële elektrische installaties en een laatste groep (veruit de grootste) zijn van toepassing op beide installatietypes.

Bescherming tegen onrechtstreekse aanraking

Een groep van artikelen (art. 86 tot art. 89) die betrekking hebben op de bescherming tegen indirecte aanraking in het laagspanningsdomein vergen hierbij een bijzondere aandacht.

Bij de omschrijving van beschermingsmaatregelen tegen indirecte aanraking, worden benevens het voormelde onderscheid tussen de industriële en de huishoudelijke installaties, de industriële installaties verder onderverdeeld in:
  • installaties die toebehoren aan de elektriciteitsvoortbrengers en -verdelers (art. 89);
  • installaties van ondernemingen die personeel tewerkstellen maar wel beschikken van BA4/BA5 personen onder hun personeel (art. 88);
  • installaties van ondernemingen die personeel tewerkstellen maar niet beschikken van BA4/BA5 personen onder hun personeel (art. 87);
  • huishoudelijke installaties (art. 86).
Voor ondernemingen die personeel tewerkstellen, maar niet beschikken over BA4/BA5 personen (art. 87), wordt echter de mogelijkheid gelaten om in hun bedrijfsruimten de beschermingsmaatregelen tegen indirecte aanraking toe te passen zoals voorzien in ofwel art. 88 (industrieel), ofwel art. 86 (huishoudelijk) al naar gelang een erkend keuringsorganisme de plannen van de elektrische installatie al dan niet voor goedkeuring heeft ondertekend.

Ondertekening van de plannen

De ondertekening van de plannen van de elektrische installatie is vooral bedoeld om het keuringsorganisme toe te laten het ontwerp (de opvatting) van de installatie te beoordelen op haar al dan niet industrieel karakter.

Blijkt dit industrieel karakter uit de opgestelde plannen dan kunnen, na goedkeuring en ondertekening ervan, de bepalingen inzake de bescherming tegen onrechtstreekse aanraking die geldig zijn voor industriële installaties (art. 88) worden toegepast op die specifieke bedrijfsruimten (i.p.v. art. 86).

Overzicht van de toepasselijke artikels met betrekking tot de bescherming tegen onrechtstreekse aanraking





Voormelde ondertekening door een erkend keuringsorganisme heeft dus voor gevolg dat eender welke (soms zeer technische) beschermingsmaatregelen tegen indirecte aanraking in die bedrijfsruimten kunnen worden toegepast, zelfs bij afwezigheid van BA4/BA5-personen onder het personeel.

Wanneer de plannen van de elektrische installatie echter niet voor goedkeuring door een erkend organisme ondertekend zijn, dan moet de werkgever binnen zijn personeel beschikken over BA4/BA5-personen, hetgeen tot een vrij bizarre toestand aanleiding geeft.

Personen, die in hun woning een zelfstandige beroep met personeelshulp uitoefenen, kunnen kiezen om in hun bedrijfsruimten de nogal stringente bepalingen opgenomen in art. 86 (maximum 8 contactdozen, stopcontacten met kinderveiligheid, alleen beveiliging tegen indirecte aanraking m.b.v. differentieelfoutstroominrichtingen, enz.) te ontlopen door de ondertekening van de plannen door een erkend organisme.

Als alternatief kunnen diezelfde personen ook kiezen om (zo mogelijk) toch de stringente bepalingen opgenomen in art. 86 toe te passen wanneer ze vrezen om na verloop van tijd hun personeel te moeten ontslaan als gevolg van financiële problemen.

Niet alleen op het vlak van het ontwerp van de elektrische installatie is het nuttig te weten welk type van installatie het betreft maar ook bij de keuze van het erkend keuringsorganisme en de periodiciteit van hun keuringen komt de kennis van indeling van pas.

Voorbeeld

Om dit te illustreren beschouwen we het geval van een gebouw dat eigendom is van een bankinstelling waarvan het gelijkvloers en de eerste verdieping worden gebruikt als bureauvertrekken, de kelderverdieping als geldkluis en als archief van de bank.

In de kelder bevindt zich tevens een elektrische omvormpost met een hoogspanningstransformator van 400 kVA.

De tweede verdieping wordt volledig benomen als woonvertrekken door een directielid van de bank en zijn familie.

Inzake de keuze van het keuringsorganisme, het onderwerp van de keuring en de periodiciteit van de keuringen zijn volgende regels van toepassing:
  • de hoogspanningsinstallatie van de omvormpost wordt als industriële installatie gekeurd door een keuringsorganisme dat geaccrediteerd is voor de keuring van hoogspanningsinstallaties en dit met een jaarlijkse (13 maanden) periodiciteit;
  • de laagspanningsinstallatie van de omvormpost wordt als industriële installatie gekeurd door een keuringsorganisme dat geaccrediteerd is voor de keuring van zeer lage en laagspanningsinstallatie niet zijnde huishoudelijke installaties op zeer lage en laagspanningsinstallaties en dit met een vijfjaarlijkse periodiciteit;
  • de laagspanningsinstallatie van het gelijkvloers en de eerste verdieping wordt als industriële installatie gekeurd door een keuringsorganisme dat geaccrediteerd is voor de keuring van zeer lage en laagspanningsinstallatie niet zijnde huishoudelijke installaties en dit met een vijfjaarlijkse periodiciteit;
  • de laagspanningsinstallatie van de tweede verdieping wordt als huishoudelijke installatie gekeurd door een keuringsorganisme dat geaccrediteerd is voor de keuring van zeer lage en laagspanningsinstallatie zijnde huishoudelijke installaties en dit met een vijfentwintig jaarlijkse periodiciteit.
Voor wat de laagspanningsinstallatie betreft buiten deze van de tweede verdieping heeft ook hier de ondertekening van de plannen van de elektrische installatie voordelen, aangezien de bankinstelling niet noodzakelijkerwijze dient te beschikken over BA4/BA5-personen om de beschermingsmaatregelen tegen indirecte aanraking, die geldig zijn voor industriële installaties met personeelsbezetting, te kunnen toepassen.

Wat de laagspanningsinstallatie op de tweede verdieping zelf betreft, zal de bankdirecteur moeten zorgen voor een speciale uitvoering van het aansluitbord, aangezien ingevolge art. 251 de te verwachten eenfasige kortsluitstroom aan de uitgangsklemmen van de eerste reeks overstroombeveiligingstoestellen moet worden beperkt tot maximaal 3000 A. Dit zal het gebruik van (speciale) stroombeperkende automaten of zelfs smeltveiligheden vergen, aangezien de kortsluitstroom in het onmiddellijk stroomafwaarts van de transformator (P = 400 kVA) gelegen aansluitbord aanzienlijk hoger is dan 3000 A.

Tevens moet de bankdirecteur de nodige aandacht schenken aan het accreditatiedomein van de betrokken keuringsorganismen om te vermijden dat de rechtsgeldigheid van de afgeleverde keuringsverslagen in vraag wordt gesteld, aangezien het niet vreemd is dat keuringsorganismen geaccrediteerd voor huishoudelijke installaties keuringsopdrachten verrichten binnen een als industrieel beschouwde installatie.

Tot slot wens ik nog te benadrukken dat wanneer elektrische installaties, benevens de voorschriften vervat in de Welzijnscodex of het AREI (ziekenhuizen, enz.) onderworpen zijn aan specifieke voorschriften, de keuringsinstanties afzonderlijke verslagen moeten opstellen.

Ik maak hier gebruik van het begrip ‘keuringsinstanties’ aangezien in de verschillende besluiten betreffende voorschriften inzake specifieke elektrische installaties, uitgevaardigd door de federale en gewestelijke overheden, de keuring van deze installaties niet noodzakelijkerwijze is toevertrouwd aan een organisme erkend voor de controle van elektrische installaties (erkend door de FOD Economie).

Bovendien maakt de keuring inzake de naleving van de specifieke voorschriften het voorwerp uit van een afgezonderd verslag, aangezien de verantwoordelijkheden van de met het toezicht belaste ambtenaren, die tot totaal verschillende (federale of regionale) administraties behoren, afzonderlijke verslagen verantwoorden.

Meer info online

Gepubliceerd op 29-03-2018

  783