47 vragen en antwoorden over het nieuwe AREI

Op deze pagina vindt u een handig overzicht van veel gestelde vragen over het nieuwe AREI (boeken Laagspanning, Hoogspanning en Transmissie en distributie). We verzamelden deze vragen via verschillende bronnen, zoals het “AskVinçotte AREI 2020” webinar van 3 april 2020 en het Prebes-webinar van 22 april 2020 over de belangrijkste wijzigingen van het nieuwe AREI voor de preventieadviseur. Voor zover relevant vindt u bij de antwoorden linken naar meer informatie.
 

We hebben de volgorde van de vragen opgesteld overeenkomstig de structuur van het nieuwe AREI.

 

Deel 1: Algemene voorschriften voor het elektrisch materieel en de elektrische installaties
 - Waar grenst de installatie bij aansluiting van machines? Waar start de Machinerichtlijn?

Rudy Van den Bergh (RVDB) (Electro-Test): Onderafdeling 1.4.1.2 van het KB van 8 september 2019 beschrijft wat wordt verstaan onder ‘Regels voor goed vakmanschap’.

Afdeling 2.8.1. : hier wordt het begrip elektrische machine of elektrisch toestel gedefinieerd.

In Deel 6 lezen we dat elektrische toestellen en machines die gebouwd zijn volgens de Europese richtlijn, vanuit het KB van 8 september 2019 niet in vraag gesteld worden. Een machine start aan de aansluitklemmen voor de elektrische voeding van het machinebord of toestel. Vanaf hier is de norm NBN EN 60204-1 van toepassing.
Afdeling 6.4.7.1.: de vaste machines en/of toestellen worden voor de ingebruikname onderworpen aan een gelijkvormigheidscontrole die enkel betrekking heeft op de geschiktheid voor de te verwachten uitwendig invloeden, de installatie en samenbouw ter plaatse. Uiteraard wordt ook nagegaan of de vaste voedingskabel geschikt is voor de bedrijfsstroom van de machine in normaal bedrijf, de beveiliging naar overstroom (overbelasting, kortsluiting) en de bescherming tegen elektrische schokken bij onrechtstreekse aanraking  is gegarandeerd. 

Deel 2: Begrippen en definities

- Wordt in een natte omgeving 48V als een zeer lage spanning (ZLS) beschouwd?

Vinçotte: Dat klopt. We verwijzen hiervoor naar afdeling 2.3.2. : ‘Spanningsgebieden in wisselstroom’. Voor wisselspanningen worden de waarden uitgedrukt in effectieve waarden.

De indeling van een elektrische installatie in een van de spanningsgebieden is gebaseerd op de nominale spanning U tussen de actieve geleiders door toepassing van tabel 2.1. (spanningsgebieden voor wisselstroom). We spreken over zeer lage spanning (ZLS) bij wisselspanning indien U ≤ 50V.

Deze indeling heeft geen enkel betrekking op de indeling volgens de toestand van het menselijk lichaam (BB code uitwendige invloeden), en kan bijgevolg niet als een veilige spanning beschouwd worden.

Wanneer we een veilige spanning (in alle omstandigheden: normale- en foutomstandigheden), naar bescherming tegen elektrische schokken bij onrechtstreekse aanraking willen bekomen dan dient deze zich te beperken tot de ‘absolute conventionele grensspanning’  (tabel 2.3 in afdeling 2.4.1) en spreken we over zeer lage veiligheidsspanning (ZLVS).

Bij een BB2 (natte huid) is deze beperkt tot een spanning van 25V wisselspanning. 

- Wat wordt als een veiligheidsverbruiker beschouwd: een aangesloten toestel of een stopcontact?

Vinçotte: Een veiligheidsverbruiker is een apparaat of systeem dat om veiligheidsredenen voor personen gedurende een bepaalde periode in gebruik moet blijven. Een stopcontact is bijgevolg geen veiligheidsverbruiker. 

Deel 3: Bepaling van de algemene kenmerken van elektrische installaties
Moet ik voor veiligheidsinstallaties een nieuwe risicoanalyse voorzien?

Vinçotte: Een veiligheidsinstallatie wordt bepaald op basis van een wettelijk kader en deze  installaties die op basis van een risicoanalyse van de veiligheidsinstallaties door de uitbater of zijn afgevaardigde.
Het vroegere begrip ‘ontworpen vitale installatie’ wordt als een bestaande installatie beschouwd. Sinds 1 juni 2020 moeten elektrische installaties voldoen aan de voorschriften van het KB van 8 september 2019 (nieuwe AREI). Dit betekent dat u, op basis van hoofdstuk 8.3 Afwijkende beschikkingen voor bestaande niet-huishoudelijke elektrische installaties, deze installaties moet (laten) aanpassen of op basis van een risicoanalyse moet aantonen dat u voldoende maatregelen nam om de veiligheid van personen en goederen te garanderen. 

- Welke informatie moet bij niet-huishoudelijke elektrische installaties vermeld worden in de stroombaanschema en bijlage wanneer één extra kring bijgeplaatst wordt aan een bestaand bord met reeds 20 vertrekkende bestaande kringen?

Vinçotte: Voor het gedeelte van de bestaande elektrische installaties, de niet-huishoudelijke elektrische installaties van het oude AREI, moet de installatie het onderwerp zijn van een schematisch plan of beschrijving, waarbij de volgende elementen vermeld moeten worden:

  • spanningen en aard van de stromen
  • aard en samenstelling van de hoofdcircuits
  • plaats en kenmerken van de inrichtingen die de veiligheidsuitschakeling en de uitschakeling van het hoofdstroomcircuit waarborgen (onderafdeling 8.3.2.2. 2.a.)

Op het vlak van een uitbreiding van een circuit/installatie vindt u alle details van de bijzondere eisen over de inhoud van de schakelschema's in punt onderafdeling 3.1.2.2.b

Deel 4: Beschermingsmaatregelen

- In de norm NBN S21-100-1 §6.8.2 wordt vermeld dat een brandcentrale een eigen differentieelbeveiliging moet hebben. Wat is de verklaring hiervoor?

Vinçotte: Dit heeft te maken met onafhankelijkheid en selectiviteit. De parameter ‘onafhankelijkheid’ verwijst naar de vereiste dat de voeding van een brandcentrale niet verstoord mag worden bij een fout in een andere stroombaan of verbruiker. Daarnaast verwijst de parameter ‘selectiviteit’ naar de mogelijkheid om een brandcentrale op een aparte differentieelbeveiliging (dit is een beveiliging die geïnstalleerd wordt in het kader van onrechtstreekse aanraking) te plaatsen. Let wel: in bepaalde installaties is het niet altijd mogelijk om selectiviteit in te bouwen. Wanneer de elektrische hoofdinstallatie van een gebouw beschermd wordt door differentieelschakelaars, dan moet de voeding door een afzonderlijke differentieelschakelaar – die stroomopwaarts geplaatst wordt – beschermd worden.

Merk trouwens op dat in de nieuwe norm geen specifieke melding gemaakt wordt van differentieelstroomschakelaars, maar wel van §6.8.2.

Zie ook : NBN S 21-100 Branddetectie- en brandmeldsystemen  

- In het oude AREI moest één differentieel op de kop staan. In het nieuwe AREI vermeldt men ‘minstens één’, waaruit ik kan afleiden dat er bijvoorbeeld twee differentiëlen op de kop mogen staan. Klopt dit? Dus bijvoorbeeld één vertraagde naar het verdeelbord en één type B naar de laadinfrastructuur?

Vinçotte: In huishoudelijke installaties was horizontale selectiviteit (dit is wanneer de differentieelstroomschakelaar parallel geplaatst wordt) altijd al toegelaten, mits deze al de kenmerken van een algemene differentieelstroominrichting bezit. Bij de richtlijn dat er een bijkomende verbruiker van een type B differentieel voorzien moet worden, kunt u deze niet altijd stroomafwaarts plaatsen na een type A of type AC differentieelstroomschakelaar als de som van foutstromen meer dan 6 mA DC bedraagt. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn bij het plaatsen van meerdere laadpalen (individueel voorzien van type B differentieel) na één differentieel van het type A. 

- Wanneer moet ik halogeenvrije (SA-SD of a1-s1) bekabeling gebruiken?

Vinçotte: In het KB van 8 september 2019 (nieuwe AREI) leest u in onderafdeling 4.3.3.7, tabel 4.10, dat u sinds 1 juni 2020 verplicht bent om geïsoleerde geleiders en energiekabels, kabels voor stekerbare installaties (systemen van toestelverbindingsstopcontacten voor vaste aansluiting), communicatie- en informatietechnologie, signalerings- of besturingskabels met de kenmerken SA-SD of  met de aanvullende verklaringen a1-s1 (halogeenvrij) toe te passen.

Tabel 4.10 vermeldt met name de volgende ruimtes:
  • evacuatiewegen in bouwwerken (met uitzondering van deze gelegen binnen de wooneenheden)
  • publiek toegankelijke lokalen die minimaal 50 personen kunnen ontvangen
  • tunnels die beschouwd worden als bouwkundige kunstwerken

Voor andere ruimtes die niet onder tabel 4.10 vallen, kan de exploitant of zijn afgevaardigde op basis van een risicoanalyse of wettelijke eisen, bepalen dat andere ruimten die niet onder tabel 4.10 vallen en waarvan de evacuatie in geval van brand door rookontwikkeling beïnvloed kan worden ook moeten voldoen aan het voorschrift van punt a. van onderafdeling 4.3.3.7, nl. geïsoleerde geleiders en energiekabels met de kenmerken SA-SD of met de aanvullende verklaringen a1-s1 (halogeenvrij) toe te passen.

Hou er ook rekening mee dat de leidingen, kanalen, goten, kabelgoten en verdeeldozen die u op de hierboven genoemde plaatsen installeert en die niet verzonken zijn, halogeenvrij moeten zijn of een gelijkwaardig veiligheidsniveau moeten hebben.
De exploitant of zijn afgevaardigde stelt een lijst op van vluchtwegen en moeilijke evacueerbare ruimten die onder de eis van punt a. van onderafdeling 4.3.3.7. vallen, met vermelding van de referentie voor elke plaats (risicoanalyse of wettelijke eisen of tabel 4.10.). De lijst van vluchtwegen en moeilijk te bereiken plaatsen en de risicoanalyse moet u ter beschikking houden van het erkende organisme en de met toezicht belaste ambtenaar.
Tijdens een gelijkvormigheidscontrole vóór ingebruikname of een controlebezoek van een installatie, moet u het evacuatieplan dat de evacuatiewegen aanduidt, voorleggen aan het erkende organisme belast met de controle of het bezoek.  

- Op gewone, publiek toegankelijke plaatsen moeten de deuren van een elektrische dienst of schakelbord voorzien zijn van een veiligheidsslot. Als in een bedrijf een ‘piramidesysteem’ van sleutels toegepast wordt, kan men de respectievelijke sloten dan als veiligheidssloten beschouwen?

Vinçotte: Het terrein van een bedrijf is geen publiek toegankelijke ruimte, daar geldt de voorwaarde van veiligheidsslot niet. Indien bijvoorbeeld de toegangsdeur van een hoogspanningspost (exclusieve ruimte van de elektrische dienst - ERED) langs de openbare weg gelegen is, moet deze ofwel van een veiligheidsslot, ofwel van een ander sluitsysteem dat ten minste dezelfde waarborgen biedt voorzien zijn. Sleutels ‘met een piramidesysteem’ die specifiek zijn voor een bedrijf kunnen als veiligheidssloten aanzien worden. Het is uitbater die beslist wie toegang heeft tot deze ERED.

Voor lage en zeer lage spanning is het toegelaten sloten te plaatsen die niet als veiligheidsslot beschouwd worden, op minstens één van deze voorwaarden:

  • hetzij dat het slot zich op een minimumhoogte van 2,5 meter bevindt en vaste elementen in de omgeving geen toegang geven tot het slot
  • hetzij er één of meerdere interne schermen zijn die ten minste een IPXX-B-beschermingsgraad hebben en op dergelijke manier gerangschikt zijn dat de actieve delen niet per ongeluk aangeraakt kunnen worden zolang de deuren geopend zijn - het scherm (of schermen) is/zijn permanent bevestigd en kan/kunnen niet verwijderd worden zonder het gebruik van een gereedschap of sleutel
  • hetzij de betrokken elektrische apparatuur geïnstalleerd wordt op een plaats van de elektrische dienst  

- Met welke wijzigingen moet ik rekening houden op het vlak van beschermingsmaatregelen bij onrechtstreekse aanraking?

Vinçotte: In het verleden maakte het AREI (oud-AREI) voor de beschermingsmaatregelen tegen onrechtstreekse aanraking een onderscheid tussen elektrische installaties op werkplekken waar personen met of zonder BA4/BA5-attest tewerkgesteld worden.

Op werkplekken zonder BA4/BA5 personen waren dezelfde maatregelen van kracht als voor huishoudelijke elektrische installaties. Dit werd gewijzigd, men maakt nu enkel onderscheid tussen huishoudelijke en niet-huishoudelijke installaties.

In het KB van 8 september 2019 (‘nieuw AREI’) gelden voor alle niet-huishoudelijke installaties de voorschriften die voordien enkel van toepassing waren op installaties met BA4/BA5. Voor meer details verwijzen we u naar Onderafdeling 4.2.4.4. ‘Bescherming tegen elektrische schokken bij onrechtstreekse aanraking in niet-huishoudelijke ruimten’.  

- Moeten de kabels die in vluchtwegen geïnstalleerd worden, a1-s1 zijn?

Vinçotte: Ja, dit is verplicht. In het KB van 8 september 2019 (nieuw AREI) leest u in onderafdeling 4.3.3.7, tabel 4.10, dat u sinds 1 juni 2020 verplicht bent om geïsoleerde geleiders en energiekabels, kabels voor stekerbare installaties (systemen van toestelverbindingsstopcontacten voor vaste aansluiting), communicatie- en informatietechnologie, signalerings- of besturingskabels met de kenmerken SA-SD of met de aanvullende verklaringen a1-s1 (halogeenvrij) toe te passen.
Tabel 4.10 vermeldt met name de volgende ruimtes:
  • evacuatiewegen in bouwwerken (met uitzondering van deze gelegen binnen de wooneenheden)
  • publiek toegankelijke lokalen die minimaal 50 personen kunnen ontvangen
  • tunnels die beschouwd worden als bouwkundige kunstwerken  
Moet ik op het vlak van niet-halogeen accessoires (bevestigingsmiddelen, leidingen,...) rekening houden met een verplichting op de componenten en bedrading van verlichtingsarmaturen?

Vinçotte: In het KB van 8 september 2019 (nieuw AREI) staan enkel richtlijnen vermeld voor buizen, goten, geleiders en kabels. We citeren een passage uit onderafdeling 4.3.3.7:

‘Leidingen, de open en gesloten goten, kabelrekken en de aftakdozen die op de in de bovenstaande lijst genoemde plaatsen zijn geïnstalleerd en die niet verzonken zijn, moeten halogeenvrij zijn of een gelijkwaardig veiligheidsniveau hebben’.
Hieruit kunnen we afleiden dat er dus geen eisen opgelegd worden voor verlichtingsarmaturen en hun interne bedrading.  

- Wanneer deze halogeenvrije DC-kabels geïnstalleerd moeten worden, moet dan hetzelfde gedaan worden voor leidingen, omhulsels, kanalen en apparaten? En zo ja, volgens welke normen moet dit gebeuren?

Vinçotte: Hierover lezen we in het KB van 8 september 2019 de volgende bepaling: Leidingen, de open en gesloten goten, kabelrekken en de aftakdozen die op de in de bovenstaande lijst genoemde plaatsen zijn geïnstalleerd en die niet verzonken zijn, moeten halogeenvrij zijn of een gelijkwaardig veiligheidsniveau hebben’. Met andere woorden: elk product moet aan zijn eigen norm voldoen. 

Deel 5: Keuze en gebruik van het materieel

- Als een brandpomp of gelijkaardige veiligheidsverbruiker in een afzonderlijke ruimte met Rf opgesteld wordt, mag ik het veiligheidsbord in dezelfde ruimte opstellen? Of moet ik een afzonderlijk Rf lokaal creëren, uitsluitend voor het veiligheidsbord (met omschakelaar)?

Vinçotte: Met een veiligheidsbord wordt niet het bedieningsbord van de veiligheidsverbruiker bedoeld. In hoofdstuk 5.5 (veiligheidsinstallaties) maakt de wetgever een onderscheid tussen een veiligheidsverbruiker met en zonder geïntegreerde bron. Een voorbeeld van een veiligheidsverbruiker met geïntegreerde bron is een lamp met ingebouwde batterij of een veiligheidsverlichtingstoestel met ingebouwde batterij. Bij een niet-geïntegreerde veiligheidsbron moet u het veiligheidsbord in een andere ruimte plaatsen, weg van de veiligheidsverbruiker, tenzij de lengte van de voedingskabel van de veiligheidsverbruiker niet meer dan 10 meter bedraagt. In onderafdeling 5.5.6.3 vindt u hierover meer uitleg.
Zie ook : Toepassing van Boek 1 Laagspanning – Afdeling 5.5.1. Veiligheidsinstallaties  

- Vroeger werden vitale installaties in IT uitgevoerd op 400V (met verdeelde N). Door het ‘nieuwe AREI’ mag de N bij belangrijke wijzigingen niet meer verdeeld worden. Betekent dit dan dat ik alles moet ombouwen naar 3x230V IT?

Vinçotte: Voor het aspect ‘onrechtstreekse aanraking’ mag, bij het optreden van een eerste isolatiefout (zowel net- als noodvoeding), de veiligheidsverbruiker met niet-geïntegreerde bron zijn functiebehoud niet verliezen. Bij een voeding in IT mag de nulleider niet verdeeld worden. In onderafdeling 5.5.7.5 vindt u hiervoor verschillende oplossingen. Voor nieuw te ontwerpen installaties zal dit mogelijk een impact hebben. Concreet zal de veiligheidsverbruiker in bepaalde installaties gevoed worden in 3*400 Volt, 3*230 Volt of 2*230 Volt zonder nulleider. 

- Wat is de toegelaten spanningsval voor lange kabels? Zijn hier wijzigingen voorzien?

Vinçotte: Noch het oude AREI, noch het KB van 8 september 2019 (nieuw AREI) vermeldt een maximum spanningsval.  In afdeling 5.5 ‘spanningsval’ staat vermeld dat de spanningsval in elektrische leidingen moet beperkt worden tot de waarden beschreven in de regels van goed vakmanschap.

Verder vermeldt onderafdeling 5.2.1.2. dat bij keuze van de elektrische leidingen de spanningsval onder de normale bedrijfsvoorwaarden verenigbaar moet zijn met de bedrijfszekere werking van de gevoede elektrische machines en toestellen.

Een leidraad hiervoor zou de NEN 1010 (bepaling 525) kunnen zijn, die stelt als eis dat het spanningsverlies niet meer dan 5% mag bedragen van het begin van de installatie tot de aansluitpunten.

Als u bij lange kabels geen rekening houdt met het dimensioneren van de spanningsval, dan kan dit leiden tot een ontijdige uitschakeling van de betreffende beveiliging bij een kortsluiting in de aansluitklemmen van de eindverbruiker.  

- Welke spelregels moet ik respecteren bij een wijziging of uitbreiding van bestaande installaties (bijvoorbeeld bij de installatie van een motor voor veiligheidsinstallaties)?

Vinçotte: Een motor voor een veiligheidsinstallatie wordt beschouwd als een veiligheidsverbruiker. Op basis van een risicoanalyse of een regelgevende tekst moet deze wijziging of uitbreiding voldoen aan de eisen van het KB van 8 september 2019 (nieuw AREI). We verwijzen hiervoor naar hoofdstuk 5.5. Veiligheidsinstallaties.  

- Komt er een standaardisatie (met een duidelijkere tabel voor de beschrijvingen) voor kabelkleuren (groen, oranje, rood,…)?

Vinçotte: Neen. Er zijn geen nieuwigheden wat de herstructurering van het AREI betreft. Op het vlak van de kabelkleur denken we met name aan intrinsiek veilige circuits in zones met potentieel explosiegevaar, waar we aanbevelen om een (licht)blauwe kleur te gebruiken voor intrinsiek veilige kabels. De kleuren van de geleiders volgen het Europese normalisatiedocument (HD 308 S2).
In principe mag u niet blind vertrouwen op kleur, maar moet u de kabelgegevenskaart raadplegen waarop de normen vermeld zijn. Het feit dat een kabel bijvoorbeeld groen is, betekent niet automatisch dat hij halogeenvrij (SA – SD – a1 – s1) is.  

- Zijn er beperkingen voor het opladen van een elektrisch voertuig in modus 1 (IEC 61851-1), dit wil zeggen vanuit een conventioneel stopcontact?

Vinçotte: U moet steeds de voorschriften van de fabrikant accuraat naleven. De wandcontactdoos voldoet aan de AREI-voorschriften. We raden u aan om hiervoor een geschikt circuit te voorzien.  

- Moet de sturing van elektrische poorten ook aan de norm EN 50575 over het brandreactiegedrag van kabels voldoen?

RVDB: Vanuit het KB van 8 september 2019 ‘nieuwe AREI’ moeten elektrische leidingen steeds voldoen aan de norm EN 50575 bij installatie in een gebouw of bouwwerk. Maar een elektrische poort valt onder de Machinerichtlijn, waarbij de Europese norm EN60204-1 van toepassing is. Als u halogeenvrije kabels wenst, dan zal u dit expliciet moeten vragen in uw bestelbon. Als u dit niet via een bestelbon aanvraagt, dan kunt u dit niet wettelijk afdwingen van de fabrikant die de machine op de markt gebracht heeft.  

- Zijn er voor de petrochemische sector lijsten beschikbaar met voorbeelden van veiligheidsinstallaties (een soort code van goede praktijk)? En bestaan deze ook voor de kritische installaties?

RVDB: Op dit moment bestaan dergelijke lijsten niet. In principe verstaan we onder veiligheidsinstallaties personen die zich in een gebouw bevinden en moeilijkheden kunnen ondervinden als bij een ongeluk of ramp een ontruiming moet plaatsvinden. Het gaat dus louter om situaties bij brand. In de petrochemische sector worden al heel wat maatregelen genomen, waarbij aan de hand van risicoanalyse gevaarlijke situaties in kaart gebracht worden en bepaald werd welke maatregelen voorzien moeten worden. In deze sector heeft het begrip ‘veiligheidsinstallatie’ niet dezelfde betekenis zoals in het KB van 8 september 2019 (‘nieuwe AREI’) voorzien is.  

Deel 6: Controle van de installaties

- Moet ik rekening houden met een gewijzigde periodiciteit bij een woning die bestemd is voor vakantieverhuur? 

Vinçotte: De regelgeving voor toeristische logies legt een periodiciteit van 5 jaar op, evenals het KB van 8 september 2019 ‘nieuwe AREI’ (niet-huishoudelijke laagspanningsinstallatie).  

Zijn er wijzigingen op het vlak van periodiciteit voor controles van installaties? En welk andere wijzigingen zijn er wat periodieke controles betreft?

Vinçotte: De vermelding van een periodieke controle om de 13 maanden voor foorinstallaties is geschrapt. Ze is vervangen door een jaarlijkse controle voor verplaatsbare, mobiele of tijdelijke elektrische installaties. Het gaat om installaties die, al dan niet onder spanning, verplaatst kunnen worden, hetzij op eigen kracht, hetzij door de gebruiker (bijvoorbeeld voertuigen of aanhangwagens voor wegvervoer zoals bedoeld in hoofdstuk 7.101, ter plaatse geïnstalleerde containers of cabines, enzovoort).

Ook installaties in zones met explosiegevaar moeten jaarlijks gecontroleerd worden. Het gaat om ruimtes waarin een explosieve atmosfeer aanwezig is of kan zijn en waarvan de classificatie vastgelegd wordt in afdeling 7.102.4.  

- Worden de generatoren in voertuigen (kleine eenheden en/of omvormers) ook aan een periodieke keuring onderworpen, zoals bij mobiele installaties het geval is?

Vinçotte: Ja, dit maakt deel uit van de nieuwe bepalingen. We verwijzen hiervoor naar onderafdeling 6.4.7.2 en afdeling 6.5.2. Er vindt een gelijkvormigheidscontrole plaats voordat het systeem (bij de start ervan) in gebruik genomen wordt. Vervolgens gelden jaarlijkse periodieke inspecties.  

- Ik ben op zoek naar een voorbeeld van een verplaatsbare installatie. Wat is het verschil tussen mobiel en transporteerbaar?

Vinçotte: Voorbeelden van een mobiele of verplaatsbare installatie zijn onder andere de stroomvoorziening aan boord van wegvoertuigen of aanhangwagens terwijl ze geparkeerd staan,
containers of cabines die ter plaatse geïnstalleerd zijn, reizende handelaars, enzovoort. Transporteerbaar zijn containers of cabines die ter plaatse geïnstalleerd zijn.

Zie ook :

- Is de aardingsonderbreker in een bestaande niet-huishoudelijke installatie verplicht? Volstaat het niet dat de ontkoppelinrichting met een gereedschap (geïsoleerde schroevendraaier, geïsoleerde sleutel,...) verwijderd kan worden?

Vinçotte: De aardingsonderbreker is niet verplicht in bestaande niet-huishoudelijke installaties. Om de verspreidingsweerstand van de aarding te kunnen meten, is het echter noodzakelijk om een scheidingsinrichting (aardingsonderbreker) te voorzien die enkel met behulp van een gereedschap verwijderd kan worden.  

- Beschouwt men een elektrische installatie van de gemeenschappelijke ruimtes van een appartementsgebouw als ‘huiselijk’, wanneer er geen conciërge in het gebouw is?

Vinçotte: Het begrip ‘huishoudelijke installatie’ staat volledig los van de aan- of afwezigheid van een conciërge. Technische ruimtes, zoals ketelhuis of liftinstallaties, worden als niet-huishoudelijke installaties beschouwd.  

- Aan welke voorwaarden moet een volledige inspectie van een bliksemafleider (visuele inspectie, aardmeting,...) voldoen als onderdeel van een periodieke inspectie? Bestaat er een checklist van inspecties voor de controle van specifieke criteria? En is er naast de interpretatie van de gegevens op de ‘bliksemkaart’ van de Belgische MRI nog een andere methode om risicozones te definiëren volgens selectiecriteria?

Vinçotte: In België volgen we hiervoor de NBN EN 62305 norm - Deel 1 tot en met 4. In deel 2 komt de analyse van het bliksemgevaar aan bod. Deze inspectie moet uitgevoerd worden door een specialist in bliksembeveiliging. In de NBN EN 62305-deel 3 hoofdstuk 7 en bijlage E7-3 staan onder andere de periodiciteit, de volgorde van inspectie beschreven.

Een volledige inspectie omvat een administratieve controle (dossier), een visuele controle, een controle via metingen en het schrijven van een rapport. Over deze verschillende stappen vindt u een duidelijke uitleg in de NBN EN 62305 deel 3 hoofdstuk 7 en bijlage E.7 ‘Onderhoud en inspectie van een LPS’.

Om na te gaan of een bliksembeveiliging (extern/intern) noodzakelijk is, dient er een risicoanalyse conform de NBN EN 62305 deel 2 uitgevoerd te worden. Hierin staan alle parameters vermeld waarmee rekening dient gehouden te worden om de noodzaak van een bliksembeveiliging te bepalen. De blikseminslagdichtheid is maar 1 van de tientallen parameters die bepalend zal zijn. Indien een beveiliging noodzakelijk is zal ook de bliksembeveiligingsklasse hieruit volgen.
Er zijn verscheidene software pakketten op de markt om voor u de berekening op basis van de NBN EN 62305 deel 2 te maken.  

-Een school heeft een nieuw huishoudelijk gebouw aangekocht. Moet de controle van de elektrische installatie opnieuw uitgevoerd worden? Of is het document van de vorige eigenaar voldoende?

RVDB: Als een installatie een huishoudelijke keuring heeft, waarbij de termijn van 25 jaar niet overschreden is, dan blijft het keuringsverslag geldig. Enige tijd geleden heeft de wetgever het begrip ‘controle bij verkoop’ in het leven geroepen, maar dit is enkel van toepassing op huishoudelijke installaties die gebouwd zijn vóór oktober 1981. Op dit vlak vindt men in het oude AREI vijftien afwijkingen (via artikel 278) die daarvoor kunnen dienen.  

- Bij de installatie van een verplaatsbare machine bij een klant, bijvoorbeeld een laspost, is vaak een controledoor een EDTC nodig. Dit geldt zelfs wanneer we deze machine opnieuw verplaatsen en opnieuw aarden. Dit zounu niet meer nodig zijn, met enkel een controle bij het eerste gebruik. Klopt dit?

RVDB: Het antwoord op deze vraag is genuanceerd. Enerzijds wordt een laspost als een machine/toestel beschouwd die door een fabrikant op de markt gebracht werd en die gebruikt wordt op de arbeidsplaats. In het oude AREI artikel 57 ‘Lassen en snijden met elektrische vlamboog’ staan de voorwaarden vermeld waaraan dient voldaan te worden om veilig met dit arbeidsmiddel te kunnen werken. Artikel 57 van het oud-AREI is nu terug te vinden in onderafdeling 4.2.2.5. van het KB van 8 september 2019 Boek 1.

Indien deze laspost verplaatsbaar is valt deze onder de definitie van ‘Mobiele of verplaatsbare installatie en is volgens het KB van 8 september 2019 ‘nieuwe AREI’ onderafdeling 6.4.7.2. punt 2 (gelijkvormigheidscontrole) +  afdeling 6.5.2. (controlebezoek) van toepassing.  

- Valt de jaarlijkse controle van de stroomgroepen weg in plaats van de gelijkvormigheidscontrole bij ingebruikname?

RVDB: De elektrische stroomgroep is door een fabrikant op de markt gebracht en voldoet aan de Machinerichtlijn (op basis van de Europese norm 60204-1 voor de elektrische uitvoering). Bij ingebruikname moet die stroomgroep eenmalig gecontroleerd worden. Maar tegelijk maakt deze stroomgroep deel uit van een elektrische installatie ‘in the field’. Bij elke verplaatsing van een stroomgroep moet er opnieuw een aarding voorzien worden. Op dat ogenblik moet de installatie, die samen met verdeelborden, kabels en plaatselijke aarding gebouwd wordt, nog steeds aan een gelijkvormigheidscontrole onderworpen worden. Als deze langer dan een jaar blijft staan, dan geldt er een herkeuring na een jaar.  

- Hoe gaat men om met de herkeuring van een huishoudelijke elektrische installatie?

RVDB: Huishoudelijke installaties (gebouwd sinds 01/10/1981) moet u om de 25 jaar laten keuren. Controlebezoeken van een huishoudelijke elektrische installatie van na 01/10/1981 gebeuren op basis van het KB van 8 september 2019 met toepassing van afdeling 8.2.2. afwijkende beschikkingen van een huishoudelijke elektrische installatie oud-AREI.  

Deel 7: Bepalingen voor bijzondere installaties en ruimtes
Kan ik in het AREI een artikel vinden over het gebruik van differentieelschakelaars en elektrische laadpalen?

Vinçotte: In deel 7 (bijzondere voorschriften) zal een specifiek hoofdstuk gewijd zijn aan dit onderwerp. Dit hoofdstuk wordt momenteel geschreven. Voor het gebruik van een geschikte differentieelstroomschakelaar moet u steeds nauwgezet rekening houden met de voorschriften van de fabrikant. Als de foutstroom groter is dan 6 mA DC, dan moet u een specifieke differentieel (bv. differentieelschakelaar type B) plaatsen.

Daarnaast is deze beschermingsmaatregel ook opgenomen in het KB van 8 september (‘nieuw AREI’) (onderafdeling 5.3.5.3.a. en f.). Het gevaar bestaat dat bij niet-lineaire verbruikers de foutstroom geen zuivere sinus is, maar samengesteld is uit een DC- en AC-component. Het is de DC-component die ervoor kan zorgen dat de werking van een klassieke differentieel (bijvoorbeeld type A of AC) verstoord wordt.  

-Waaronder vallen de werfcontainers van contractoren die meerdere jaren blijven staan op het terrein van de opdrachtgever? De containers zijn meestal gehuurde modules.

RVDB: Elke werfcontainer (dus ook eigen containers) wordt op de markt gebracht via een CE-markering vanuit de laagspanningsrichtlijn. Als basisprincipe geldt dat stopcontacten aangesloten worden met een 2,5 mm²-kabel. In het verleden stelden we echter vast aansluitingen vaak gebeurden met een 1,5 mm²-kabel. Op basis van het AREI moet dergelijke werkwijze afgekeurd worden, maar als een 1,5 mm²-kabel beveiligd is met een zekering van 10 A of een automaat van 16 A, dan loopt men geen enkele risico op veiligheid technisch vlak. Ook de Europese normering staat deze werkwijze toe.  

-Zijn de dwingende bedrijfsvereisten ook geldig voor ATEX-zones?

RVDB: Ja. In een ATEX-zone moet u de volgende documenten kunnen voorleggen: zoneringsdossier, zoneringsverslag en explosieveiligheidsdocument. Op die manier kan vastgelegd onder welke voorwaarden de werkzaamheden kunnen plaatsvinden. Volgens ons moeten werkzaamheden in een ATEX-zone op dezelfde manier in dienst genomen worden, onder eigen verantwoordelijkheid.  
Deel 8: Bijzondere voorschriften m.b.t. bestaande elektrische installaties

- Moet ik een oude elektrische installatie aanpassen aan het nieuwe AREI?

Vinçotte: Op het vlak van oude elektrische installaties vinden we in deel 8 ‘Bijzondere voorschriften met betrekking tot bestaande elektrische installaties’ van het KB van 8 september 2019 (‘nieuw AREI’) afwijkende beschikkingen voor bestaande installaties.

Bij bestaande installaties maakt men een onderscheid tussen installaties die dateren van vóór de publicatie van het oud-AREI en elektrische installaties ‘oud-AREI’.

Verder wordt bij de afwijkende beschikkingen een onderscheid gemaakt tussen huishoudelijke en niet-huishoudelijke installaties.

Bij niet-huishoudelijke installaties maakt de wetgever een onderscheid tussen installaties waar wel of niet personen tewerkgesteld zijn die onder toepassing vallen van art. 2 van de Welzijnswet (wet van 4 augustus 1996).

Voor niet-huishoudelijke elektrische installaties oud-AREI dient men rekening te houden met de voorschriften in onderafdeling 8.3.2.1.

Voor niet-huishoudelijke elektrische installaties daterend van vóór het oud-AREI waar:

  • geen personen tewerkgesteld zijn dient men rekening te houden met de voorschriften in onderafdeling 8.3.1.1
  • personen tewerkgesteld zijn die onder toepassing vallen van artikel 2 van de wet op het welzijn op het werk, dient men rekening te houden met de voorschriften in onderafdeling 8.3.1.2  

- Vervalt het KB van 04/12/2012, of kan ik alle wetgeving raadplegen in het nieuwe AREI?

Vinçotte: Het KB van 4 december 2012 is opgenomen in de Codex boek III, Titel 2.

In het KB van 8 september 2019 (‘nieuw AREI’) wordt in onderafdeling 8.3.1.2. voor bestaande installaties verwezen naar Codex Boek III, Titel 2.  

Moeten bestaande elektrische installaties aangepast worden?

RVDB: Op de huishoudelijke installaties van vóór 1981 zijn vijftien afwijkingen op de reglementering van toepassing. We merken dat bij de installaties gebouwd tussen 1981 en 2020 (met andere woorden in het oud-AREI) zeven afwijkende beschikkingen gelden.

Bij niet-huishoudelijke installaties geldt een onderscheid tussen het controleren van installaties op basis van aan- of afwezigheid van personen met BA4/BA5.  

Voor niet-huishoudelijke elektrische installaties oud-AREI dient men rekening te houden met de voorschriften in onderafdeling 8.3.2.1.

Voor niet-huishoudelijke elektrische installaties daterend van vóór het oud-AREI waar:

  • geen personen tewerkgesteld zijn dient men rekening te houden met de voorschriften in onderafdeling 8.3.1.1
  • personen tewerkgesteld zijn die onder toepassing vallen van artikel 2 van de wet op het welzijn op het werk, dient men rekening te houden met de voorschriften in onderafdeling 8.3.1.2  

- Moet de risicoanalyse van de elektrische installatie aangepast worden aan het nieuwe AREI?

RVDB: Sinds 2012 moeten bestaande installaties onderworpen worden aan een risicoanalyse. Vanuit de Codex Algemene Arbeidsveiligheid moet u op regelmatige basis aftoetsen of bij wijzigende wetgeving de veiligheidslat niet verhoogd moet worden. Dit vloeit voort uit de stelregel dat u maatregelen moet nemen op basis van de stand der techniek die vandaag geldt. Met de invoering van het KB van 8 september 2019 (‘nieuw AREI’)  is de veiligheidslat op sommige vlakken verhoogd. Dit heeft tot gevolg dat de nieuwe wijzigingen getoetst moeten worden op oude installaties.  

Moet een stroombaanschema van een bestaande elektrische installatie aangepast worden tegen een volgende herkeuring?

RVDB: Op basis van het KB van 8 september 2019 (‘nieuw AREI’) moeten de stroombaanschema’s veel uitgebreider zijn dan vroeger. In deel 8 volgt een passage die stelt dat de huidige schema’s in de huidige toestanden mogen blijven (op voorwaarde dat ze voldoen aan artikel 16 van het oude AREI), wat voor vele professionals wellicht een hele geruststelling is.  

Algemeen

- Wat met Assuralia?

Vinçotte: Aangezien in Assuralia verwezen worden naar het AREI, moet u sinds 1 juni 2020 rekening houden met het nieuwe AREI (KB van 8 september 2019).  

- Bestaat er een Engelstalige versie van het AREI?

Vinçotte: Neen. Ook het oud-AREI was niet in het Engels beschikbaar.  

- Vanaf welke ingangsdatum moet op een CE Conformiteitsverklaring verplicht de (ondertekende) vermelding ‘Gevolmachtigde tot het samenstellen van het technisch dossier’ vermeld staan?

Vinçotte: Dit is niet opgenomen in het KB van 8 september 2019 (‘nieuw AREI)’. Dit KB behandelt de elektrische installatie, geen specifieke producten of machines. Voor CE verwijzen we u naar dewebsite van de Europese Gemeenschap.  
 

- Kan er nog verwezen worden naar artikelnummers in het nieuwe AREI?

Vinçotte: In elk boek kunt u telkens 9 delen terugvinden. Elk deel is opgesplitst in hoofdstukken, afdelingen en onderafdelingen. Er is dus geen sprake meer van artikelnummers. Er bestaan wel ‘overgangstabellen’ (ook bekend als concordantietabellen), waarin verwezen wordt naar de oude artikelen in het AREI. U kunt deze tabel vinden in senTRAL en Electrosafe of downloaden op de website van de FOD Economie.  

- Wordt in de boeken de Arc Flash-bescherming vermeld?

Vinçotte: Niet meteen. In hoofdstuk 9.3 lezen we dat u alle nodige maatregelen moet nemen tegen alle risico’s die te wijten zijn aan elektrische werkzaamheden. U kunt deze maatregelen vastleggen op basis van een risicoanalyse. Let wel: u moet rekening houden met verschillende verwijzingen naar risicoanalyses van elektrische installaties. Daarom wordt het risico van vonkvorming in deze risicoanalyses vermeld.
Als het elektrisch materiaal bij normaal gebruik of bij beschadiging of onjuiste bediening, vonken of vlammen kan veroorzaken, kan het volledig worden ingesloten in boogbestendige materialen (4.3.3.5.a).  

 - In het Verenigd Koninkrijk moet de laadstroom beperkt worden tot 13 A in één fase. In Frankrijk is dit 10 A. Welke waarde geldt in België? Is er een beperking of kunnen we "omhoog" naar 16 A?

Vinçotte: In het KB van 8 september 2019 (‘nieuw AREI’) wordt hierover nog niets vermeld. Het hoofdstuk over laadpalen is nog in ontwerp. Voor een antwoord op deze vraag verwijzen we u naar voorschriften van de fabrikant die u steeds moet raadplegen.  

- Is er een overgangsperiode voorzien voor de toepassing van het nieuwe AREI?

RVDB: Voor het oude AREI waren er 86 bijkomende nota’s om het AREI verder te verduidelijken of aanpassingen aan te brengen. De overheid is alvast gestart met het opmaken van nieuwe nota’s voor het nieuwe AREI, waarvan er al drie klaar zijn.

De eerste nota betreft het uitstel van de datum 1 juni 2020. Deze aanpassing past in het kader van lopende projecten - die in een uitvoeringsfase zitten – waarvan de oplevering pas voorzien is na 1 juni 2020. De overheid voorziet hiervoor een overgangsperiode van twee jaar. Concreet moeten de uitbater en bouwheer de nodige informatie verzamelen waaruit blijkt dat het om een lopend project gaat, waarna dit document voorgelegd moet worden aan de Dienst Preventie en Bescherming en daarna goedgekeurd moeten worden. Na een goedkeuring kan het document bezorgd worden aan het organisme dat de controle uitvoert en wordt de installatie opgeleverd volgens de richtlijnen van het oude AREI.

In de tweede nota bepaalt de overheid dat drie oude nota’s behouden blijven, met name over hoogspanning en de uitvoering van de aarding.

In de derde nota tenslotte geeft de overheid uitstel voor wettelijke keuringen in het kader van de huidige coronacrisis. Voor huishoudelijke installaties in bedrijven geldt een uitstel van maximaal zes maanden. Voor industriële en toekomstige niet-huishoudelijke installaties is er een voorlopig uitstel van drie maanden. 


Auteur: Diverse experts bij Vinçotte - Rudy Van den Bergh (Electro-Test)

Gepubliceerd op 15-09-2020

  2311