Milieu

BBT-studie inkuiping: afwijken van inkuipingsregels na risico-analyse?

Het wordt misschien mogelijk om af te wijken van de inkuipingsregels in VLAREM II wanneer met een risico-analyse kan worden aangetoond dat de risico’s beheerst zijn. Dit is één van de voorstellen om op te nemen in de nieuwe BBT-studie Inkuiping en vul- en loszones bij bovengrondse opslag van gevaarlijke of brandbare vloeistoffen die nu in opmaak is. Verder blijkt dat VLAREM II voor het aspect inkuipingscapaciteit in het algemeen minder streng is dan andere standaarden (codes van goede praktijk en regelgeving) voor één tank en eerder strenger voor meerdere tanks...


Aanpak voor BBT-studie

De BBT-studie
Inkuiping en vul- en loszones bij bovengrondse opslag van gevaarlijke of brandbare vloeistoffen wordt uitgevoerd door VITO en opgevolgd via een begeleidingscomité van 30-tal personen waaronder 10-tal sectororganisaties (oa. Essenscia, Belgische Petroleum Federatie, Agoria, Go4circle) en 5-tal personen van de overheid (oa. LNE-AMV, LNE-AMI, FOD WASO, LNE-veiligheidsrapportering). In 2018 zal het deel vaste houders worden afgewerkt (inclusief het globaal voorstel VLAREM-standaardkader). Het deel verplaatsbare recipiënten zal eveneens dit jaar worden opgestart.

Alle codes van goede praktijk en wetgeving van de naburige landen (bv. Nederland, Frankrijk, Verenigd Koninkrijk) worden in kaart gebracht. Per aspect wordt een vergelijking gemaakt van de codes van goede praktijk en wetgeving. Dit wordt vergeleken met de voorwaarden van VLAREM II.

De huidige VLAREM II-voorwaarden worden afgetoetst ten opzichte van het voorgestelde standaardkader om na te gaan waar eventueel overgangsmaatregelen of -termijnen aan de orde zijn voor bestaande houders.
Het standaardkader bestaat uit:

  • doelvoorschrift (bv. voorzien van voldoende opvangcapaciteit);
  • middelvoorschrift (bv. concrete invulling via technische maatregelen).

Begrip “gevaarlijke” en “brandbare” vloeistoffen

Buitenlandse standaarden toppen af op vlampunt 100°C. VLAREM II gaat tot 250°C. Het is momenteel niet bekend hoe overige vloeistoffen (vlampunt tussen 100 en 250°C) behandeld worden in het buitenland.

Voor vloeistoffen met een vlampunt tussen 100°C en 250°C die geen andere gevaarseigenschappen hebben (brandbare vloeistoffen in rubriek 6), wordt voorgesteld dat hiervoor een inkuiping volstaat met dimensies die enkel de productopvang (dus geen rekening houden met de neerslag, het bluswater of de golfslag)  waarborgen. Deze categorie van vloeistoffen wordt dan vrijgesteld van alle andere aspecten zoals resistentie opgeslagen product, beheer van vloeistoffen (bv. vermijden of beperken van hemelwaterverontreiniging in de inkuiping), behandeling van incidenten,…

Berekening inkuipingscapaciteit

Er wordt eerst principieel nagegaan hoe de marges bovenop de productopvang best zullen worden uitgedrukt. Het is namelijk momenteel onduidelijk wat de impact is van de berekening van de inkuipingcapaciteit:

  • optelsom van opvang product + neerslag + bluswater + golfslag (zonder “marges’) of
  • opvang product + 25%

Vergelijking VLAREM II met andere standaarden mbt inkuipingscapaciteit

Uit de vergelijking tussen de VLAREM II-voorwaarden m.b.t. inkuipingscapaciteit en de buitenlandse regelgeving en codes van goede praktijk kan worden opgemerkt dat:

  • de VLAREM II-vereiste (zie art. 5.6.1.3.7 §2) voor opstaande rand voor producten met voldoende hoge dynamische viscositeit (uit risicoanalyse) minder streng is dan alle andere standaarden. De idee is om deze voorwaarde te behouden.
    VLAREM II, art. 5.6.1.3.7 §2: "Voor opslagplaatsen in vaste houders, gelegen buiten een waterwingebied of beschermingszone dient de minimale capaciteit van de inkuiping het waterinhoudsvermogen van de grootste houder te kunnen bevatten. Dubbelwandige houders uitgerust met een permanent lekdetectiesysteem hoeven niet in rekening te worden gebracht.
    Als uit een risicoanalyse van de exploitant blijkt dat producten in opgeslagen toestand over een voldoende hoge dynamische viscositeit (zoals bijvoorbeeld extra zware stookolie) beschikken, volstaat echter een opstaande rand.
    Bij opslag van brandbare vloeistoffen samen met gevaarlijke vloeistoffen ingedeeld in rubriek 17 in één inkuiping worden de strengste voorschriften nageleefd."
  • voor de opvang bluswater en -schuim leggen vele codes van goede praktijk geen vereisten op. VLAREM II legt wel op dat dit volgens een code van goede praktijk moet gebeuren en in overleg met de brandweer. De idee is om die bepaling te schrappen dat een erkend deskundige  nodig is voor de bepaling van de bluswateropvang.
    VLAREM II, art. 4.1.12.1 §1: "[…] De exploitant bepaalt de organisatie van de brandbestrijding, de brandbestrijdingsmiddelen en de capaciteit voor de opvang van verontreinigd bluswater volgens een code van goede praktijk en raadpleegt daarbij de bevoegde brandweer. […]"
  • VLAREM II specifieert momenteel niet welke capaciteit moet voorzien worden voor de opvang van hemelwater. De andere standaarden voor tankopslag doen hierover ook geen concrete uitspraak;
  • VLAREM II is voor één tank in het algemeen minder streng in vergelijking met andere standaarden;
  • de VLAREM II-voorwaarden die een minimale capaciteit voor de inkuiping oplegt die gelijk is aan het totale waterinhoudsvermogen (100%) van alle tanks in waterwingebied/beschermingszone (rubriek 6.4 en 17) en voor groep 1 in bovengrondse lokalen/kelders (rubriek 17) zijn streng in vergelijking met andere standaarden.
    VLAREM II, art. 5.6.1.3.7 §1: "Voor opslagplaatsen in vaste houders of verplaatsbare recipiënten gelegen binnen een waterwingebied of beschermingszone, is de minimale capaciteit van de inkuiping gelijk aan het totale waterinhoudsvermogen van alle erin geplaatste houders of recipiënten."
    VLAREM II, art. 5.17.4.3.7 §1: "Voor opslagplaatsen in vaste houders of verplaatsbare recipiënten gelegen binnen een waterwingebied of beschermingszone, is de minimale capaciteit van de inkuiping gelijk aan het totale waterinhoudsvermogen van alle erin geplaatste houders of recipiënten.
    §2: […]
    2° voor de opslag van gevaarlijke vloeistoffen van groep 1 in bovengrondse lokalen en kelders: het totale waterinhoudsvermogen van alle erin geplaatste houders";
  • voor brandbare vloeistoffen (rubriek 6.4) en overige gevaarlijke vloeistoffen (rubriek 17) zijn de VLAREM II-voorwaarden relatief minder streng;
  • voor gevaarlijke vloeistoffen van groep 1, ontploffingsgevaarlijke vloeistoffen gekenmerkt door GHS01 of acuut toxische vloeistoffen van gevarencategorie 1 en 2 (rubriek 17) is VLAREM II streng.
Afwijken van inkuipingsregels met risico-analyse

Er wordt voorgesteld om in VLAREM II in te schrijven dat bedrijven kunnen afwijken van de inkuipingsvoorschriften als ze via risico-analyse kunnen aantonen dat de risico’s beheerst zijn. Voor Seveso-bedrijven kan de risico-analyse intern opgesteld worden (cfr. OVR). Voor de niet-Seveso-bedrijven wordt voorgesteld dat een erkend deskundige de risico-analyse doet.

Vervolg voor BBT-studie

De technisch discussies werden al opgestart met betrekking tot de fiche inkuipingscapaciteit (bv. inkuiping voorzien met voldoende opvangcapaciteit) en fiche karakteristiek (bv. inkuiping vloeistofdicht aanleggen). In april staan nog op het programma:
  • de fiche beheer vloeistoffen (bv. vermijden of beperken van hemelwaterverontreiniging in de inkuiping);
  • behoud integriteit (bv. uitvoeren van controles op de inkuiping); en
  • de behandeling van incidenten (bv. gebruik van een tertiaire opvangvoorziening).
In de loop van mei wordt de volgende draft verwacht inclusief het globale VLAREM II-voorstel.
 

Gepubliceerd op 12-04-2018

Guy Van den Broeke
consultant, Arcadis Belgium nv
  291