Circulaire economie: wat zijn uw verplichtingen als bedrijf?

Bij iedere nieuw begrip duikt een vergelijkbare vraag op. Wat moet ik als bedrijf doen om compliant te zijn met de regelgeving? Voor circulaire economie is dat een moeilijk te beantwoorden vraag, want circulaire economie is geen wet, geen set van regels. Circulaire economie is een nieuwe vorm van economie. De vraag is vergelijkbaar met ‘wat moet ik doen om in regel te zijn met de groei-economie, met de concurrentie-economie’. Niets, je bent niet verplicht om te groeien of om competitief te zijn. Maar als je het niet doet, zal je er nadeel van ondervinden. Hetzelfde geldt voor de circulaire economie. Overheden zullen - net als voor groei of voor concurrentie - de regelgeving, de administratie, de subsidieregels en heel hun apparaat aan middelen inzetten om de circulaire economie te bevorderen, maar opleggen kan men ze niet.

Wat is circulaire economie?

Circulaire economie wordt zelfs nergens in harde wettekst gedefinieerd. Wij omschrijven ze als volgt: “Een opkomend economisch model dat de focus legt op technieken én businessmodellen om materialen en resources zo lang mogelijk, en idealiter eeuwig, in gesloten cycli te houden van verlengd gebruik, hergebruik en recyclage. Sleutelcomponenten van circulaire economie zijn industriële symbiose, deeleconomie, product-dienst combinaties, nauwe producentconsument relaties, nabijheidseconomie, hergebruik en recyclage, urban mining, detoxificatie van hergebruikscycli en duurzame consumptie en productie. Tegengesteld aan circulaire economie zijn geprogrammeerde veroudering, downcycling, legacy substances of verlies van toegevoegde waarde.” Er bestaat geen artikel dat zegt: je bent verplicht om al deze aspecten uit dit korfbegrip te realiseren. Je bent nog steeds vrij om je businessplan naar eigen inzicht op te stellen.
Maar zonder circulaire economie verlies je de voeling met een economie die volop in transitie zit, riskeer je zonder grondstoffen te vallen of mis je de aansluiting met de verwachtingen van de klanten. Zie ook de checklist op senTRAL om je te helpen circulaire economie te implementeren.
Vandaag is circulaire economie eerder een ideaal dat overheden in hun regelgeving moeten nastreven. Ze moeten het implementeren in diverse regels en initiatieven rond afvalbeheer, productnormering, ruimtelijke planning, logistiek, … Het leidt tot aanpassingen in de wetgeving, in VLAREMA bijvoorbeeld, maar ook in de vergunningen voor Fost Plus of in de ruimtelijke inrichting van nieuwe industrieterreinen. Dus onrechtstreeks wel degelijk van toepassing op individuele bedrijven. Om aan de circulaire economie te voldoen moet men dus simpelweg de wetgeving volgen want die past zich stilletjes aan de circulaire gedachte aan. En als je sneller wil gaan, kijk dan naar de SenTRAL-checklist. Toch wil ik op twee elementen ingaan die wél rechtstreeks toepasbaar zijn of worden, de afvalverwerkingshiërarchie en de strijd tegen geprogrammeerde veroudering.

De afvalverwerkingshiërarchie
De afvalverwerkingshiërarchie, of de ladder van Lansink, dateert duidelijk van tijden vóór de huidige aandacht voor circulaire economie. En toch bevat ze er enkele kernbegrippen van. Door eerst voor preventie te gaan, dan voor hergebruik, dan voor recyclage en pas daarna voor verbranden met energieherwinning of als allerlaatste voor storten, implementeert ze de circulaire economie. Ook daar kiest men voor de kortste keten om materialen in gebruikscycli te houden. Hergebruik is de eerste en dus meest gewenste shortcut tussen ontdoener en nieuwe gebruiker. Via hergebruik wordt de toegevoegde waarde van materialen of producten maximaal behouden, meer dan via traditioneel recyclage. Preventie staat aan de top omdat dit aansluit bij de circulaire ideeën van dematerialisatie, product-dienstcombinaties, deeleconomie... 
De ladder van Lansink staat in de Europese Kaderrichtlijn Afvalstoffen (art. 4) en in het Vlaamse Materialendecreet (art 4 §3.1). Daar dient ze vooral als verplichting voor overheden die hun beleid opstellen. Maar de ladder is ook overgenomen in Vlarem II, bij de algemene milieuvoorwaarden voor ingedeelde inrichtingen. En daar wordt het interessant. Het is een wettelijke verplichting, voor alle onderworpen bedrijven, om de ladder toe te passen.
VLAREM II artikel 4.1.6.2. § 1.
Met behoud van de toepassing van andere wettelijke bepalingen, milieuvoorwaarden uit dit besluit of voorwaarden met betrekking tot de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, wordt het ontstaan van afvalstoffen voorkomen en wordt aandacht besteed aan een efficiënter en minder milieubelastend gebruik en verbruik van materialen via aangepaste productie- en consumptiepatronen. Waar toch afvalstoffen worden voortgebracht, wordt voor de verwerking van die afvalstoffen buiten het ophalen, sorteren en vervoeren, de voorkeur gegeven aan de verwerkingswijzen, hierna in afnemende graad van prioriteit vermeld:
  1. de voorbereiding van afvalstoffen voor hergebruik;
  2. recyclage van afvalstoffen en de inzet van materialen in gesloten materiaalkringlopen;
  3. andere vormen van nuttige toepassing van afvalstoffen, zoals energieterugwinning en de inzet van materialen als energiebron;
  4. de verwijdering van afvalstoffen, met storten als laatste optie.
Preventie toepassen, wegen voor hergebruik zoeken, ecodesign doen naar recycleerbaarheid en gesloten kringlopen. Dit is geen mooi circulair maar vrijblijvend ideaal, iets wat aanbevolen wordt. Neen, het is een wettelijke verplichting voor iedere inrichting met een omgevingsvergunning.
Geprogrammeerde veroudering

Geprogrammeerde veroudering is de antithese van circulaire economie. Exact het tegenovergestelde ervan. Toch passen bedrijven geprogrammeerde veroudering toe in hun businessmodel, in de hoop op snelle vervangverkoop. Ze doen dit door zwakke plekken in producten in te bouwen en snel breuk te veroorzaken, of ze stellen hun marketingstrategie in op mode en trends die ook tot snelle vervanging leiden.
Vandaag bestaat er al regelgeving om de consument te beschermen tegen oneerlijke of bedrieglijke handelspraktijken, of om wettelijke garantieperiodes op te leggen.
Halfweg 2017 verscheen bij de FOD Leefmilieu de studie “Geplande veroudering: Belgische maatregelen om de consument te beschermen”. Daarin werden de volgende tien extra beleidsmaatregelen voorgesteld om geprogrammeerde veroudering te bestrijden:
  • fabrikanten moeten de verwachte levensduur van het product aangeven, op basis van een te ontwikkelen objectieve evaluatiemethode;
  • de wettelijke garantieduur wordt verlengd (afhankelijk van de productcategorieën) en de bewijslast van de fabrikant wordt uitgebreid;
  • fabrikanten moeten de mate van herstelbaarheid aangeven, op basis van een objectieve evaluatiemethode die nog moet worden ontwikkeld;
  • fabrikanten moeten de periode aangeven waarbinnen reserveonderdelen nog kunnen geleverd worden;
  • men wordt verplicht om reserveonderdelen, producttekeningen en gereedschap voor reparatie beschikbaar te houden gedurende een redelijke termijn en voor een aanvaardbare prijs;
  • het aanbod wordt gestimuleerd door bewustwording en ondersteuning van bedrijven bij de transitie naar de functionaliteitseconomie (product-dienstcombinaties, leasing formules enz…);
  • de vraag naar producten/diensten uit de functionaliteitseconomie wordt gestimuleerd, met name door het vertrouwen van de consument te vergroten;
  • men moet een methode ontwikkelen voor de beoordeling van de levensduur van producten op basis van objectieve criteria. (Dit is wellicht doeltreffender op Europees niveau);
  • de sociale zekerheidsbijdragen voor reparatieactiviteiten worden verlaagd (mits goedkeuring van de Europese Commissie);
  • reparatieactiviteiten worden opgenomen op de lijst van activiteiten die in aanmerking komen voor een verlaagd BTW-tarief (op Europees niveau).
Kris Peeters kondigde in 2017 aan een wet voor te bereiden om alvast de garantieperiodes te verlengen in de strijd tegen geprogrammeerde veroudering van elektrische toestellen. Een wetsvoorstel van CDH, ECOLO en PS in 2018 voor een verbod op geprogrammeerde veroudering naar Frans model werd weggestemd in de Commissie Bedrijfsleven. In juli 2017 keurde het Europees Parlement Resolutie 2016/2272(INI) goed. Hierin wordt de Europese Commissie gevraagd om een wetgevend initiatief te nemen tegen geprogrammeerde veroudering met volgende elementen:
  • robuuste, duurzame en hoogwaardige producten ontwerpen;
  • herstelbaarheid en lange levensduur van producten bevorderen;
  • een model van functionaliteitseconomie (gebruik boven bezit) hanteren en de KMO’s en de werkgelegenheid in de EU ondersteunen;
  • de consument betere informatie verstrekken;
  • maatregelen inzake geplande veroudering nemen;
  • het recht op een wettelijke garantie versterken;
  • de consument beschermen tegen de veroudering van software.
De wetgeving tegen geprogrammeerde veroudering is nog beperkt tot de huidige garantieregels, maar op meerdere fronten is er beweging, en nieuwe rechtstreeks toepasbare wetgeving is dus te verwachten.
Conclusie

Circulaire economie is een vorm van aan economie doen. Het is geen wettelijke verplichting, er bestaat zelfs geen wettelijke definitie van circulaire economie. Het is eerder een korfbegrip van concepten die in businessmodellen kunnen worden meegenomen. Overheden nemen maatregelen om de circulaire gedachte op te nemen in hun beleidsmaatregelen op vlak van afval, productbeleid, ruimtelijke ordening en andere… maar rechtstreeks op bedrijven toepasbare regels zijn eerder uitzondering. Eén van de sterkste is de rechtstreekse verplichte toepassing van de afvalverwerkingshiërarchie op ingedeelde inrichtingen. Maar ook rond andere concepten zoals geprogrammeerde veroudering is wetgeving op komst.

Gepubliceerd op 03-09-2019

Mike van Acoleyen
Projectmanager environment, Arcadis
  42