Milieu

Ideeën voor meer ‘bodembewustzijn’

Jaarvande Bodem -logo

Onder de noemer “bodembewust debat” organiseerde de OVAM in het internationale ‘Jaar van de Bodem’ van de Verenigde Naties een panelgesprek over het belang van de bodem voor ons leefmilieu, ons voedsel, de economie en onze leefomgeving. Niemand van de OVAM deed mee.

En dat was ook de bedoeling. De organisatie wilde hiermee immers juist de ideeën van buitenstaanders bijeenbrengen. Er zat ook niemand van de andere Vlaamse administraties in het panel, maar wel academische experts (Willy Verstraete van UGent en Karen Vancampenhout van de Bodemkundige Vereniging), ervaringsdeskundigen uit de privésector (Dirk Poppe van Deme, Wouter Gevaerts van Arcadis en Johan Geeroms van PSR Brownfield Developers) en een vertegenwoordiger van de BBL (Erik Grietens).

 Het Bodemjaar

Het debat opende een reeks activiteiten die de OVAM samen met andere Vlaamse administraties dit jaar opzet om het bewustzijn rond thema ‘bodem’ te verspreiden. Er loopt nog een educatieve tentoonstelling “Op speurtocht in de bodem” in Kalmthout, er is de campagne ‘Gezond uit eigen grond’, er zijn demodagen, bezoeken, een ‘Gasfabriekencongres’, een vastgoedcongres en op 5 december de ‘Wereldbodemdag’. U vindt alle activiteiten met extra documentatie en filmpjes op www.bodembewust.be.

 

Toxicologische kwaliteiten

Die formule werkte: er kwamen frisse ideeën naar boven. Want in de aanzwellende informatiestroom over klimaatverandering en duurzame transitie blijft het bewustzijn over het belang van de bodemkwaliteit nog steeds beneden peil.

Dat getuigden ook de vier experts die elk een insteek in het debat mochten aanreiken. Professor dr. Jan Tytgat (KU Leuven) opende als toxicoloog met de evidente uitdaging: we moeten onze bodem weer gezond maken. “We zijn in Vlaanderen zeker op de goeie weg: stoffen als asbest, zware metalen, cyanides, PCB’s en solventen zijn al op veel plaatsen opgeruimd of minstens gelokaliseerd,” zei hij. “We zien echter een nieuwe vervuilingsbron opduiken: clandestiene drugslabs dumpen soms zeer gevaarlijke chemicaliën.”

De belangrijkste uitdaging voor de toxicologie is evenwel de biodiversiteit van de bodem te vrijwaren. “Dat is een enorm potentieel voor de ontwikkeling van nieuwe geneeskunde. De meeste antibiotica vinden hun oorsprong in micro-organismen uit de bodem. Nu zoveel bestaande antibiotica nutteloos dreigen te worden door de toenemende resistentie van bacteriën, moeten we de bodembiotoop koesteren.” Het was een oproep die professor Verstraete onderschreef: “Bodemorganismen werken samen in metabole functies en bieden zo zeer belangrijke perspectieven voor zowel geneesmiddelen als voor nieuwe saneringstechnieken voor de bodem zelf.” Wouter Gevaerts verwees naar een procedé in ontwikkeling, dat het straks misschien mogelijk maakt om asbest met biologische organismen af te breken. Karen Vancampenhout wees erop dat ook bepaalde vervuilingsbronnen in de bodem kunnen worden ingezet om andere polluenten af te breken. Chemici en toxicologen hebben dus nog interessante technologie in petto om bodemsanering te blijven innoveren.

Tegenover al dat wetenschappelijk potentieel staat evenwel de uitdaging voor de gewone burger die zich nauwelijks bewust is van de risico’s en voorzorgsmaatregelen, bijvoorbeeld  voor grondwater en moestuintjes. Op die vraag uit het publiek waren alle panelleden akkoord dat er nog veel nood is aan informatiecampagnes over de risico’s, maar vooral ook het potentieel van onze bodembiotopen.

Bodemdebat

Het panel: v.l.n.r. Willy Verstraete, Johan Geeroms, Karen Vancampenhout, Dirk Poppe, Erik Grietens, Wouter Gevaerts en moderator Ann De Bie.

 

Wat brengt de bodem ons op?

Steven Van Passel, professor in de milieu-economie aan de Universiteit Hasselt, mocht het panel uitdagen om na te denken over de echte waarde van onze bodem. Hij stelde dat die niet alleen met klassieke vastgoednormen gemeten moet worden, maar op basis van de ecologische functies en toekomstige opbrengsten. In de milieu-economie worden veel meer externe baten meegerekend. “We moeten de ecosystemen, zoals de bodem er één is, leren waarderen en hun waarde leren internaliseren.”

Opmerkelijk: de professionals uit het bedrijfsleven vielen hem hierin onmiddellijk bij. “We hebben zeker nood aan een oefening in de waardering van ecosysteemdiensten,” zei Wouter Gevaerts. “Als de overheid dergelijke waarderingsregels zou opleggen dan zouden bedrijven al heel anders naar bodemsanering kijken. Het is zelden de milieucoördinator die de beslissingen neemt, wel de CEO, en die moet je met financiële argumenten overtuigen.” Vanuit zijn ervaring met brownfield-ontwikkelingen kon Johan Geeroms getuigen dat de maatschappelijke waarde wel degelijk de doorslag kan geven. “Brownfields blijven heel vaak ‘blackfields’ waar iedereen met een boog omheen loopt zolang er geen woonzone of KMO-zone van gemaakt wordt. De enige manier om dergelijke percelen te kunnen saneren is een duidelijke toekomstige, maatschappelijke winst tegenover de kostprijs te zetten.”

Erik Grietens van BBL wees erop dat die kostprijs zelden wordt vergeleken met de echte kost van het alternatief: de (in Vlaanderen nog dikwijls verkozen) ‘greenfield’-ontwikkeling. “Nieuwe verkavelingen worden vaak als ‘goedkoper’ gezien dan een brownfieldontwikkeling, maar men vergeet de extra kosten te rekenen van nieuwe nutsleidingen, wegeninfrastructuur, rioleringen, postbedeling, extra verkeersstromen…”

“Als het businessmodel van het brownfield in Vlaanderen niet klopt, zal het nergens kloppen,” zei Dirk Poppe van Deme. Vanuit zijn expertise adviseerde ook Willy Verstraete de overheid om werk te maken van een economische waardering van milieudiensten. “Wat is de waarde van het drinkwater dat door de landbouwgronden wordt geproduceerd? De bodem produceert meer CO2 dan het autoverkeer: laten we landbouwers belonen om te compenseren voor die broeikasgassen. Dat is goed voor de boer want het brengt meer organisch materiaal in de bodem, en het helpt het broeikaseffect te verminderen.”

In  het klimaatonderzoek wordt drainage van de bodem namelijk meer en meer als één van de meest essentiële factoren van de klimaatverandering gezien.” We hebben onze bodems zo snel verbruikt en uitgeput dat ze bijna waterloos zijn geworden,”  legde Verstraete uit. Volgens hem kijken we de verkeerde kant op als we op de CO2 in de atmosfeer focussen. “Vroeger hadden we veel meer waterhoudende bodems, en die warmden trager op. Vandaag draineert alles razend snel, akkers zijn door de intensieve bewerking vaak steenharde grondlagen geworden waar het water geen tijd meer krijgt om in te dringen. Dat fenomeen breidt alsmaar uit en versterkt de opwarming. Kijk naar de oprukkende woestijnvorming in het Midden-Oosten en Afrika, de droogte in Californië, enzovoort. In de strijd tegen de klimaatverandering moeten we meer aandacht besteden aan de rol van de landbouw en de bodem.”

Karen Vancampenhout: “De erosiebestrijding is ook zo’n voorbeeld: de kost van preventieve maatregelen als grasbufferstroken valt in het niet, vergeleken bij de schade van overstromingen en het onderhoud van rioleringen die bij elk onweer vollopen met modder.”

Innovatief bodempotentieel

Voor de innovatieve insteek zorgde Bart Vercoutere, directeur van iCleantech Vlaanderen. Hij keek vooruit naar de nieuwe functies die de bodem in een duurzame toekomst kan vervullen. Een eerste voorbeeld is ‘landfill mining’, waarmee iCleantech nu experimenteert: het ontginnen van stortplaatsen die al 30 tot 50 jaar begraven zijn maar vandaag heel wat kostbare materialen kunnen opleveren. En dan is er de diepe geothermie, een piste die VITO volop ontgint om duurzame energie van de aarde te ontlenen. Ook de meer oppervlakkige technologie van warmte/koudeopslag geeft de bodem een duurzame functie. Er is ook onderzoek naar koolstofopslag in ondergrondse lagen, zowat het tegenovergestelde van ‘fracking’. Vercoutere trok het innovatieve denkkader nog verder open met een verwijzing naar de trends van groendaken en stadslandbouw, waarmee we onze bruikbare ‘bodem’ uitbreiden naar plaatsen die daardoor extra economische en ecologische waarde krijgen.

Johan Geeroms ging mee in deze richting. “Ontwikkelaars zouden meer naar polyvalente mogelijkheden moeten kijken. Wij zijn nu bezig met de herontwikkeling van een industrieel gebouw dat een parkeergarage moet worden met een restaurant erbovenop. Als brownfieldontwikkelaar bekijkt PSR  het rendement van nieuwe activiteiten, maar niet puur financieel.”

Waarmee ook de vraag kwam bovendrijven, wie de innovatie moet trekken: overheid of bedrijven? Het antwoord is uiteraard en/en. De Arcadis-consultant waarschuwde evenwel voor overregulering aan de overheidskant (“…want dat leidt er toe dat we geen enthousiaste innovatoren meer kunnen aantrekken”), en verwees naar de competitie voor het beste bodemproject die dit jaar voor het eerst door de sector zelf wordt georganiseerd.

Geluk zaaien

Heel wat toeschouwers van het debat vroegen zich vooraf af wat de Vlaamse geluksonderzoeker Leo Bormans, auteur van “The World Book of Happiness”, hier zou kunnen bijdragen. Worden we echt gelukkiger van een gezonde bodem?

Jazeker, verzekerde Bormans. Hij bracht voorbeelden mee van kinderen die gelukkig werden van schooltuintjes. De Eindhovense ‘Wereldbomen’-gemeenschap begon ooit met de bescherming van één lokale boom en kreeg intussen wereldwijd navolging van soortgelijke groepen mensen die zich over de generaties heen verbinden tot het beschermen van gemeenschappelijke bomen tot ze duizend jaar oud zijn.

Meer was er niet nodig om het panel uit hun tuin te lokken. “Wij zien dat saneringen van oude gasfabrieksites het stedelijke weefsel systematisch herstellen, de buurt een nieuw elan geven en de buurtbewoners effectief gelukkiger maken,” bevestigde Johan Geeroms, die sprak van een ‘Pimby-effect’: “Please, in my backyard”. BBL-man Grietens kon hier niet achterblijven. “Het belang van de leefomgeving klimt overal op de agenda van mondige burgers. De slechte ruimtelijke ordening heeft een kwalitatieve leefomgeving bij ons schaars gemaakt. En alle brownfields samen zouden de helft van de huidige woonbehoeften dekken.”

De professionals voegden hier hun praktische raad aan toe. “We kunnen al veel bereiken met goedkope middelen,” zei Gevaerts. “Je hebt niet overal verharde wegen of parkeerterreinen nodig; we kunnen veel meer doorlaatbare materialen gebruiken na een sanering. Je kan ook groenschermen aanplanten rond benzinestations.” Dirk Poppe gaf de wetgever nog een suggestie mee. “Je zou eraan kunnen denken om lokale overheden te verplichten elke nieuwe verkaveling te compenseren met dezelfde oppervlakte in een brownfieldontwikkeling.”

(verslag: Joris De Vroey)

 

 

Gepubliceerd op 24-04-2015

  154