Plan voor een Europees netwerk voor waterstoftransport krijgt vorm

 Een groep van elf Europese gasinfrastructuurbedrijven uit negen EU-lidstaten presenteerde deze week een plan om een speciaal pijpleidingennetwerk van bijna 23.000 km aan te leggen tegen 2040. Dat zou parallel met het bestaande aardgasnet gebruikt worden.
 

Deze "Europese waterstofruggengraat" werd voorgesteld in een visiedocument dat is ontwikkeld door de nationale netbeheerders Enagás, Energinet, Fluxys Belgium, Gasunie, GRTgaz, NET4GAS, OGE, ONTRAS, Snam, Swedegas (Nordion Energi), Teréga, en het adviesbureau Guidehouse. Het voorgestelde netwerk zal lopen door Duitsland, Frankrijk, Italië, Spanje, Nederland, België, Tsjechië, Denemarken, Zweden en Zwitserland. De aanleg van een grensoverschrijdende waterstofinfrastructuur moet zowel de productie als het gebruik van waterstof helpen opschalen, argumenteren de gasoperatoren.

De bedrijven zeggen hiermee de Europese Green Deal te willen steunen. De ruggengraat moet de toekomstige centra voor vraag en aanbod van waterstof in heel Europa met elkaar verbinden. Dat zijn de industriële clusters, locaties voor het afvangen en opslaan van CO2, alsook grootschalige locaties voor de productie van hernieuwbare elektriciteit, zoals offshore-windmolenparken in de Noordzee en zonne-energiecentrales in het zuiden van Europa.

Zodra de volumes en de afstanden van het waterstoftransport toenemen, zullen de pijpleidingen een efficiënte en kosteneffectieve optie zijn, stellen de exploitanten.

De hoeveelheid elektriciteit die nodig is voor het transport van waterstof over een afstand van 1.000 km is vergelijkbaar met ongeveer 2% van de energie-inhoud van de getransporteerde waterstof - hoewel die elektriciteit niet noodzakelijkerwijs uit waterstof zal worden geproduceerd. Volgens een voorlopige schatting zou het voorgestelde netwerk tegen 2040 meer dan de verwachte 1.130 TWh van de jaarlijkse waterstofvraag in Europa moeten kunnen transporteren, en zou het netwerk tussen 27 en 64 miljard euro aan investeringen gaan kosten.

Dat is minder dan aanvankelijk voorzien, omdat de bedrijven ervan uitgaan dat 75% van het netwerk zal bestaan uit geïnstalleerde aardgaspijpleidingen die geleidelijk aan overbodig zullen worden naarmate de aardgasvolumes in de toekomst zullen afnemen.

Het plan is gebaseerd op de door de Europese Commissie op 8 juli gepresenteerde strategie voor energiesysteemintegratie en waterstof. Om de ontluikende Europese waterstofindustrie een impuls te geven heeft de Europese Commissie ook een Europese’ Schone Waterstof Alliantie’ gelanceerd waarin industrieleiders, het maatschappelijk middenveld, nationale en regionale ministers en de Europese Investeringsbank verenigd zijn.

Waterstof wordt beschouwd als een belangrijke factor die het mogelijk maakt om industrieën zoals de staal- en de chemische industrie en het zware transport te decarboniseren. Het kan ook worden gebruikt als een opslagmedium, waardoor het elektriciteitsnet tijdens pieken in de vraag in evenwicht kan worden gebracht.

Gefaseerde ontwikkeling

Volgens de elf exploitanten zal het voorgestelde netwerk zich in vijftien jaar tijd geleidelijk ontwikkelen, vanaf het midden van de jaren 2020:

  • tegen 2030 zal een eerste pijpleidingnetwerk van 6.800 km lokale clusters van waterstofproductie en -gebruik met elkaar verbinden
  • tegen 2035 zal een uitgestrekt netwerk het centrum van het continent beginnen te verbinden met regio's met een overvloedig potentieel aan groene waterstofbronnen, zoals Deense offshore-windmolenparken en de zonne- en windmolenparken in het zuiden van Frankrijk
  • tegen 2040 is een echt pan-Europees netwerk van iets meer dan 22.900 km gepland, dat door tien Europese landen zal lopen en verbindingen met wereldwijde invoerroutes mogelijk zal maken
 

Het geplande netwerk, met stippellijnen die mogelijke extra routes aangeven, zoals invoerroutes uit de Noordzee (Noorwegen en het VK), Oekraïne, Griekenland, Noord-Afrika en Rusland. (bron: gasforclimate2050.eu) 


Het nu geplande netwerk dekt niet alle Europese landen. Dat wijst niet op een gebrek aan waterstofambities in andere landen, maar weerspiegelt enkel de groep bedrijven die al samenwerkten om dit initiatief te starten. Die groep is ervan overtuigd dat de waterstofruggengraat op langere termijn de hele EU zal bestrijken en nodigt andere Europese gasinfrastructuurbedrijven uit om mee te denken over de verdere ontwikkeling van de waterstof-ruggengraat.

Bestaande leidingen aanpassen

Er zullen zo twee parallelle gastransportnetwerken ontstaan: een speciaal waterstof- en een speciaal (bio)methaannetwerk. Maar dat betekent niet dat de totale hoeveelheid pijpleidingen in de grond zal verdubbelen. Tegen 2040 zal de capaciteit van het aardgasnet immers al minstens gehalveerd zijn, en pijpleidingen die ooit werden aangelegd om aardgas te transporteren kunnen dan worden vrijgemaakt om waterstof te transporteren. Dat kan met netwerken in Nederland, Duitsland, Frankrijk, Spanje en Italië, waar de beschikbaarheid van pijpleidingen niet wordt beperkt door langlopende aardgasverplichtingen en capaciteitscontracten.

Volgens de netbeheerders is de herbestemming van pijpleidingen voor het transport van waterstof perfect haalbaar. De leidingen zelf hebben weinig aanpassing nodig. Er is al overleg met de productiebedrijven, waaruit is gebleken dat de kapitaalkosten voor de herbestemming van bestaande pijpleidingen maar 10% tot 25% van de kost voor nieuwe speciale leidingen ouden bedragen. Wel zullen de bestaande compressorstations waarschijnlijk vervangen moeten worden, hoewel over dat punt nog gediscussieerd wordt tussen de netbeheerders en producenten. Het transport van een kg waterstof kost naar schatting tussen 0,09 en 0,17 euro per 1.000 km, en dat is voornamelijk afhankelijk van de kosten van die compressoren.

Als men uitgaat van toekomstige productiekosten van 1 à 2 euro/kg voor groene en blauwe waterstof, zal het transport door de waterstofruggengraat minder dan 10% toevoegen aan de productiekosten per 1.000 km transport, aldus het rapport over de netwerkplannen, dat u hier kunt downloaden.


Auteur: Joris De Vroey

Gepubliceerd op 24-07-2020

  9