Ruimterapport schetst falen en uitdagingen van het Vlaamse omgevingsbeleid

 Het departement Omgeving publiceert vandaag het “Ruimterapport 2018”. Dat beschrijft, analyseert en evalueert de toestand van het ruimtelijk weefsel in Vlaanderen op basis van de laatst beschikbare cijfers. Bekende knelpunten zoals lintbebouwing (13.177 km!), verharding, gebrek aan open ruimte e.d. worden erin bevestigd en komen vandaag in de media ruim aan bod. Maar het rapport verzamelt ook relevante cijfers over het ruimtegebruik van bedrijven, mobiliteit en energieproductie, en geeft de kansen aan om deze trends duurzamer om te buigen.
 

Het rapport legt kernbegrippen uit zoals ruimtebeslag, verharding, landgebruik en gebiedstypologieën, en bevat ook cijfers over ruimtelijke instrumenten voor planning, vergunningen en handhaving. Daarna worden de gegevens volgens thema aangepakt: wonen, werken, andere voorzieningen, open ruimte, energie en mobiliteit. Elk hoofdstuk plaats de Vlaamse data ook in een Europese context en geeft aan de hand van het cijfermateriaal een aantal trends aan.

Ruimte voor economische activiteit

Eén van de hoofdstukken behandelt de ‘ruimte voor economie’. Het gaat zowel om activiteiten die een directe monetaire meerwaarde creëren als om overheidsdiensten, onderwijs of de zorgsector. De vraag van die kant zal in de komende jaren zeker wijzigen, stelt het rapport, want de tewerkstelling in de tertiaire en quartaire sector neemt nog steeds toe, terwijl ook de secundaire sector (industrie) belangrijk blijft voor de Vlaamse economie. Dit biedt kansen voor de verweving van functies, niet alleen tussen economische activiteiten en wonen bijvoorbeeld, maar ook tussen economie en energie; denk aan windmolens op bedrijventerreinen. Het behoud en de creatie van verweven bedrijfslocaties is belangrijk, want deze zorgen ervoor dat de druk op beschikbare kavels op bedrijventerreinen niet verhoogt. Maar er zijn natuurlijk ook uitdagingen. De oppervlakte aan bedrijventerreinen is de afgelopen acht jaar toegenomen, terwijl de open ruimte al onder druk staat. Een kleine 5% van de Vlaamse oppervlakte is bestemd als bedrijventerrein, maar 75% van de tewerkstelling speelt zich daar buiten af.


De tewerkstelling in Vlaanderen is dus ruimtelijk zeer verspreid, zeker als de zelfstandigen meegerekend worden. De hoogste tewerkstellingsdichtheid situeert zich in de stadscentra en op bepaalde bedrijventerreinen zoals het researchpark Haasrode, bedrijventerreinen in Turnhout, bepaalde zones binnen de havens en de luchthaven van Zaventem. Bedrijventerreinen zijn vooral belangrijk voor ondernemingen met een groot aantal personeelsleden. Kleine bedrijven situeren zich eerder verweven in het woonweefsel.

Zelfstandige tewerkstelling is het meest verspreid. Verder zijn er duidelijke concentraties terug te vinden in de steden, agglomeraties en clusters. Die hebben immers voordelen op het vlak van grootte, densiteit en diversiteit: een hoge dichtheid aan vragers en aanbieders, gemakkelijke toegang tot de nodige hulpbronnen, een dense, gespecialiseerde arbeidsmarkt, en er wordt op deze locaties kennis en innovatie gegenereerd door kennis-‘spillovers’ via persoonlijk contact.

75% van de totale tewerkstelling in Vlaanderen gebeurt buiten bedrijventerreinen. Ongeveer 30% van de loontrekkenden en ongeveer 10% van de zelfstandigen werken op een bedrijventerrein.

Ruimte voor mobiliteit

Er is ook een belangrijke link tussen omgevingsbeleid en mobiliteit, want Vlaanderen beschikt over een dicht wegennet en vier belangrijke havens. Bovendien bevordert de centrale ligging in Europa nog eens het ruimtebeslag door internationaal transport. Bij grote steden, concentraties van industrie en langs belangrijke verkeersassen zijn de werkgelegenheid en de toegevoegde waarde van de logistiek groter dan elders. De havens hebben een sterke link met Europa, zowel voor de ingaande als de uitgaande goederenstroom.

Mobiliteit is intrinsiek verbonden met onze omgeving door haar vermogen om plaatsen met elkaar te verbinden. Hoe de ruimte georganiseerd is bepaalt de hoeveelheid transport, de keuze van vervoerswijzen, alsook de plaatsen waar de belangrijkste nadelige effecten zich voordoen zoals luchtvervuiling, geluidshinder en verkeersongevallen.

De distributie van activiteiten en infrastructuren doorheen de ruimte bepaalt in belangrijke mate de vervoersstromen. Het ruimtelijk beleid stelt zich tot doel om deze ruimtelijke distributie mee te sturen, en heeft daardoor onrechtstreeks een invloed op de afgelegde afstanden, de verdeling van de vervoerswijzekeuze, het interactiepotentieel, en de negatieve effecten van het verkeer.


De ruimtelijke structuur van Vlaanderen wordt gekenmerkt door een ver doorgedreven verharding en versnippering, met de typische lintbebouwing, een gebrek aan geconcentreerde woonkernen en bedrijvenzones en het verspreide aanbod van voorzieningen. Disperse stedelijke ontwikkeling gaat gepaard met hogere transportkosten en langere reistijden, een grotere vraag naar transport, meer gebruik van de auto, hogere congestiekosten en een duurdere infrastructuur voor openbaar vervoer. Deze grensvervaging tussen stad en platteland in Vlaanderen legt aanzienlijke beperkingen op voor duurzame vormen van mobiliteit.

Vrij recent pas wordt in het ruimtelijk beleid meer rekening gehouden met deze impact op de mobiliteit. Lokale overheden kiezen meer voor doelgerichte ontwikkelingen en verdichtingen rond knooppunten van het openbaar vervoer. Naast het verhogen van de capaciteit van snelwegsystemen wordt ook een vermindering van die capaciteit hier en daar als een instrument aanvaard, zoals tarifering van parkeervoorzieningen, verkeerscirculatieplannen, voetgangerszones enzovoort.

Ruimte voor energie

De manier waarop we ruimte organiseren is tevens bepalend voor het energieverbruik, de mogelijkheid tot warmte-uitwisseling en de energieproductie. Met de uitbouw van decentrale, lokaal geproduceerde hernieuwbare energie wordt dat alleen maar belangrijker. Maar het rapport ziet zelfs in het dichtbebouwde Vlaanderen nog veel mogelijkheden.

Windenergie heeft zich in de laatste jaren ontwikkeld als een rendabele elektriciteitsbron. Het potentieel voor windenergie is sterk afhankelijk van gemiddelde windsnelheden. Daarnaast speelt de beschikbaarheid van land een belangrijke rol. Het meeste potentieel is in de nabijheid van de kustzones te vinden, wat voor België betekent dat het potentieel afneemt van west naar oost. Sinds 2009 is het aantal aanvragen voor windturbines op land sterk toegenomen. Dit is het rechtstreekse gevolg van de invoering van de ‘clichering’, een maatregel die de inplanting van windturbines in agrarisch gebied zonder planologisch initiatief mogelijk maakte en reeds 190 MW geïnstalleerd vermogen heeft helpen realiseren in landbouwgebied, dat is 43% van alle windturbines in Vlaanderen. De geografische spreiding van de grootschalige windturbines laat enkele concentratiegebieden zien: een aantal lijnvormige opstellingen langs de snelwegen, grotere concentraties in de zeehavengebieden van Antwerpen, Gent en Zeebrugge en een grotere groep nabij Genk.

Het potentieel van zonne-energie is afhankelijk van de Wattpiek (Wp) en de jaaropbrengsten. Dit bedraagt in Vlaanderen ongeveer 130 kWh/m²/jaar. Qua potentieel scoort België hier vrij goed in Europese context. Een voordeel van zonnepanelen is dat ze ook op bestaande infrastructuur toegevoegd kunnen worden, en dus niet noodzakelijk extra ruimte in beslag nemen.

Integratie kan nog veel beter

Al deze ruimtelijke functies staan natuurlijk niet naast elkaar. Er is slechts één en dezelfde ruimte waarin zich verschillende complexe processen voordoen en die deze ruimte voortdurend veranderen. Het rapport analyseert vier ruimtelijke integratoren of ‘verbindingmakers’:

  • bebouwd weefsel
  • verweving (de mate waarin functies en activiteiten samenkomen in de ruimte)
  • leegstand, hergebruik en transformatie
  • omgevingskwaliteit
U kunt het integrale rapport (455 pagina’s!) gratis downloaden van de site van het Departement Omgeving, of hier online lezen.

Gepubliceerd op 12-12-2018

  55