Toekomstige aanpassingen aan de certificatensteun voor groene stroom en WKK

Het Vlaams Regeerakkoord 2019-2024 voorziet in een hervorming van het ondersteuningssysteem voor groene stroom en kwalitatieve warmtekrachtkoppeling (WKK). De Vlaamse Regering wil daarbij het voorgerekende rendement voor dergelijke projecten evalueren én beperken, en de certificatensteun voor nieuwe groenestroomprojecten tegen 2025 geleidelijk uitfaseren. Voor warmtekrachtbesparing bij WKK’s wordt deze afbouw over 10 jaar gespreid (waarvan 30% tegen 2025). Om deze beleidsinitiatieven verder voor te bereiden, werd door de Vlaamse Overheid recent een studie aanbesteed naar het gebruik van een IRR-methode bij het bepalen van de bandingfactoren en de impact van de maximale bandingfactoren. De studie moet aantonen wat de impact van deze aanpassingen aan het ondersteuningssysteem kunnen zijn.

Huidig certificatensysteem

In 2012 werd door de toenmalige Vlaamse Regering beslist om de ondersteuningsmechanismen voor groene stroom en WKK grondig te hervormen. De regering besliste daarbij om deze ondersteuning voortaan af te stemmen op de zogenaamde onrendabele top (OT) voor deze projecten. Deze OT komt overeen met de berekende steun om typeprojecten een financieel rendement te kunnen geven dat noodzakelijk is om een investeringsbeslissing uit te lokken. De subsidiemechanismen in Vlaanderen maken gebruik van groene stroom- en WKK-certificaten om de OT te compenseren.

De berekening van de OT gebeurt daarbij aan de hand van een Internal Rate of Return (IRR)-methode (waarbij de IRR = het verwacht projectrendement is, exclusief financieringskosten). De gehanteerde IRR-waardes voor de OT-berekeningen werden vastgelegd in het Energiebesluit en kunnen afwijken per technologie en/of projecttype, rekening houdend met de verschillende risicoprofielen en kenmerkende parameters. Deze waarden zijn de afgelopen jaren verschillende keren bijgesteld, in functie van politieke besluitvorming en marktevoluties.

Studie in opdracht van de Vlaamse Overheid

De studie die door de Vlaamse Overheid werd besteld moest drie zaken beoordelen:

  1. in hoeverre is de IRR een geschikte methode om subsidies voor energieprojecten te bepalen?
  2. zijn de door de Vlaamse regering bepaalde IRR-waardes per categorie marktconform, rekening houden met het specifieke huidige en toekomstige risicoprofiel van iedere projecttype?
  3. in hoeverre zou een voorgesteld traject voor de uitfasering van certificatensteun de investeringsbereidheid beïnvloeden?

Op de vraag of het rendement op eigen vermogen geen betere maatstaf zou zijn om een correct rendement vast te stellen dan de IRR, antwoorden de uitvoerders van de studie negatief. Ze zien geen redenen die een wijziging van de methode rechtvaardigen en adviseren daarom om de huidige IRR-methode aan te houden. Bij de berekening van deze IRR via de OT kan de huidige berekeningsmethode op basis van projectfinanciering behouden blijven.

Om na te gaan of de gehanteerde IRR-waardes marktconform zijn, wordt in de studie vertrokken van het verwachte rendement op moment van de financieringsbeslissing. Hierbij wordt verwezen naar de zgn. hurdle rate (de minimale rendementseis van investeerders). Om tot aanbevelingen te komen vergelijkt men de in de eerste plaats de lokale (Vlaamse) IRR met de niveaus die in andere regio’s of landen daarbij van toepassing zijn.

Zodoende komt men tot volgende aanbevolen wijzigingen in het gehanteerde rendement  per technologietype:



Een kanttekening hierbij is wel dat ook de waardes voor andere parameters zoveel mogelijk marktconform ingeschat moeten worden. Daarom bevelen de auteurs aan om gelijktijdig enkele andere aanpassingen door te voeren, bv. voor wat betreft de gebruikte bandingdeler, het aangenomen aantal vollasturen en de opstalvergoedingen voor windturbines. 
De bandingfactor (aantal GSC/WKC per geproduceerde/bespaarde hoeveelheid energie) wordt in het Energiedecreet beperkt tot maximaal 1,25 en wordt in de praktijk doorgaans op een lagere waarde afgetopt, bv. 0,8 voor biogas- en 1 voor WKK-projecten. In het onderzoek wordt nagegaan wat het effect zou zijn van een geleidelijke verlaging van deze maximale bandingfactoren per startdatum (SD):



Daarbij werd de gesimuleerde verlaging gemoduleerd met als motivatie dat wanneer deze verlaging sneller gaat dan de effectieve kostendaling, het projectaanbod te laag zou kunnen uitvallen voor het bereiken van de klimaatdoelen.

De onderzochte verlaging van de maximale bandingfactoren in 2020-2025 zou volgens deze studie slechts een beperkte impact hebben op de realisatie van nieuwe PV- en onshore windprojecten. De verwachting is immers dat er tegen 2025 vrijwel geen OT meer zal zijn voor deze technologieën, waardoor de aftopping ook weinig impact zal hebben. Wel adviseren de auteurs om een aantal redenen (waaronder kosteneffectiviteit) de onderzochte aftopping voor PV en wind alsnog niet door te voeren. Voor de technologieën op basis van biogas/biomassa en WKK is de huidige aftopping reeds een rem op de realisatie van nieuwe projecten. Hierdoor worden er op heden al weinig projecten effectief gerealiseerd. De verdere aftopping zal volgens hen dan ook een beperkte impact hebben op de (reeds lage) realisatiegraad binnen deze projecttypes.

Bevraging van de sector

Verschillende federaties, waaronder ODE, FEBEG en COGEN Vlaanderen hebben hun leden bevraagd en de reacties overgemaakt aan de Vlaamse Regering. Uit deze reacties blijkt dat een aanpassing van de nagestreefde IRR’s in het OT-model het aantal projecten voorbij de reële hurdle rates geraken, zeer klein riskeert te worden. Volgens de bevraagde bedrijven schat de studie de hurdle rates immers veel te laag in. Het aantrekken van goedkoop vreemd vermogen kent zijn beperkingen. De terugverdientijden dreigen te lang te worden, tegenover de onzekerheden die zich aandienen.

Zo kent een investering in een WKK-installatie een hogere kapitaalkost dan het alternatief op basis van aardgasketels. Op dit soort investeringen worden in de industrie typisch een hurdle rate geëist die zelfs boven de huidige 10,5% ligt (en terugverdientijden onder de 4 à 5 jaar). 


Bron: Pexels
 Wat nu?
De Vlaamse Regering moet verder aan de slag om de conclusies van de studie in wetgeving om te gieten. In de beleidsnota wordt geen concrete datum hiervoor naar voren geschoven. Maar gelet op de deadlines die gelden (uitfasering voor 10% dan wel 30% tegen 2025), en de nood om investeerders snel zekerheid te verschaffen omtrent deze regulatoire ingrepen, verwachten we dat de Vlaamse Regering hier snel mee vooruit zal willen gaan.

Het is niet omdat de certificatensteun wordt uitgefaseerd, dat daarmee alle subsidies aan hernieuwbare energie- of WKK-projecten verdwijnen. Voor sommige types van projecten zal het bestaande aanbestedingssysteem uitgebreid worden. Het regeerakkoord verwijst daarbij expliciet naar middelgrote PV-projecten. Er zullen daarvoor jaarlijks budgetten uit het Energiefonds vrijgemaakt worden. Ook de totstandkoming van een capaciteitsremuneratiemechanisme (CRM op federaal niveau), kan gezien worden als een toekomstig subsidiemechanisme voor energieprojecten, weliswaar breder en met een andere finaliteit. Daarvoor moet de federale overheid dan wel nog uitklaren hoe een deelname van hernieuwbare energie- en WKK-projecten tot het CRM systeem er uit zou kunnen zien.

Lees ook nog op senTRAL:

Bandingfactoren voor groene stroom en groene warmte blijven dalen Energiebeleidsovereenkomsten: verlenging en mogelijks uitbreiding naar andere sectoren

Gepubliceerd op 30-03-2020

  134