Milieu

Vanaf 1 januari 2018 ook omgevingsvergunningen voor kleinhandelszaken (DIHB)

De eerste omgevingsvergunningen worden uitgereikt op 23 februari 2017. De omgevingsvergunning komt dan in de plaats van de huidige stedenbouwkundige vergunning en melding, verkavelingsvergunning, en milieuvergunning en -melding. Vanaf 1 januari 2018 wordt ook de socio-economische vergunning voor winkels en winkelcomplexen met een verkoopoppervlakte van meer dan 400m² in die omgevingsvergunning geïntegreerd.
Dat blijkt uit het decreet van 15 juli 2016 betreffende het integraal handelsbeleid (DIHB), dat eind juli werd gepubliceerd.
Omgevingsvergunning voor kleinhandelsactiviteiten
Vanaf 1 januari 2018 is in het Vlaamse Gewest een ‘omgevingsvergunning voor kleinhandelsactiviteiten’ nodig om handelsactiviteiten uit te oefenen op een oppervlakte van meer dan 400m². De vergunning is vereist bij de opening van de handelszaak in een nieuw of bestaand gebouw of in een tijdelijke constructie, bij het uitbreiden ervan, bij het samenvoegen met een andere handelszaak, én bij het wijzigen van categorie.
De decreetgever zegt het zo: vanaf 2018 mag niemand nog zonder voorafgaande omgevingsvergunning voor kleinhandelsactiviteiten:
  1. kleinhandelsactiviteiten uitvoeren in een kleinhandelsbedrijf of handelsgeheel met een netto handelsoppervlakte van meer dan 400m² in een nieuw op te richten, niet van vergunning vrijgestelde constructie;
  2. kleinhandelsactiviteiten uitvoeren in een kleinhandelsbedrijf of handelsgeheel met een netto handelsoppervlakte van meer dan 400m² in een bestaand, vergund of hoofdzakelijk vergund gebouw of in tijdelijke vergunde of van vergunning vrijgestelde constructies als de handelsactiviteiten uitgevoerd worden:
    • gedurende meer dan 180 dagen per jaar, als de handelsactiviteiten verenigbaar zijn met de geldende stedenbouwkundige voorschriften;
    • gedurende meer dan 90 dagen per jaar, als de handelsactiviteiten niet in overeenstemming zijn met de geldende stedenbouwkundige voorschriften, maar ze wel in overeenstemming zijn met de voorwaarden van de omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen;
  3. een kleinhandelsbedrijf of een handelsgeheel uitbreiden, als hierdoor de totale netto handelsoppervlakte:
    • meer dan 300m² groter is dan de vergunde netto handelsoppervlakte; of
    • meer dan 20% groter is dan de vergunde netto handelsoppervlakte;
  4. kleinhandelsbedrijven of handelsgehelen samenvoegen waarbij de netto handelsoppervlakte na samenvoeging meer dan 400m² bedraagt;
  5. een belangrijke wijziging van de categorieën van kleinhandelsactiviteiten doorvoeren in een kleinhandelsbedrijf of een handelsgeheel met een netto handelsoppervlakte van meer dan 400m².
Voor kleinhandelsactiviteiten zal er alleen nog een vergunningsplicht bestaan. De huidige meldplicht voor kleine uitbreidingen valt weg.
Er wordt géén vergunning meer geëist voor het tijdelijk uitoefenen van kleinhandelsactiviteiten, gedurende een termijn van minder dan 90, of minder dan 180 dagen, in bestaande of tijdelijke constructies. De gemeenten kunnen die termijnen ook nog eens inkorten in een gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan of in een stedenbouwkundige verordening.
De Vlaamse overheid kent geen apart regime voor verhuizingen binnen een straal van 1.000 meter rond de vroegere vestigingsplaats.
En Vlaanderen maakt in het decreet ook geen onderscheid tussen handelszaken met een oppervlakte van meer dan 400m², en handelszaken met een oppervlakte van meer dan 1.000m² (met verplicht advies).
Naar verluidt zou er in het uitvoeringsbesluit wél een onderscheid gemaakt worden tussen de handelszaken met een netto handelsoppervlakte tot 15.000m², die onder de bevoegdheid van het college van burgemeester en schepenen zouden vallen, de handelszaken met een oppervlakte van meer dan 15.000m², buiten de centrumsteden, die voor rekening van de provincie zouden zijn, en de grote handelszaken in de centrumsteden, die op gewestelijk niveau opgevolgd zouden worden.
Er komt wel een apart regime voor projecten met kleinhandelsactiviteiten op een netto handelsoppervlakte van meer dan 20.000m², die gelegen zijn op minder dan 20 kilometer van een gewestgrens. Maar dat is geen keuze van de Vlaamse decreetgever, maar een verplichting die voortvloeit uit artikel 6, §5bis van de Bijzondere Wet op de Hervorming van de Instellingen. Bij dergelijke vergunningsaanvragen moet het college (of de deputatie) de Vlaamse regering op de hoogte brengen, zodat die op haar beurt de andere gewestoverheden kan verwittigen.
Een vermindering van de netto handelsoppervlakte, of een stopzetting van de handelsactiviteiten is, volgens de memorie van toelichting bij het ontwerp van decreet op het integraal handelsvestigingsbeleid, niet vergunningsplichtig.
Eén vergunningsdossier
Wie momenteel een handelszaak wil oprichten in een nieuw of te renoveren pand en daar ook gevaarlijke stoffen wil opslaan, moet 3 vergunningsaanvragen indienen: een aanvraag voor een stedenbouwkundige vergunning volgens de procedures en termijnen van de Vlaamse Codex voor Ruimtelijke Ordening (VCRO), een aanvraag voor een milieuvergunning volgens de bepalingen van het Decreet houdende Algemene Bepalingen inzake Milieubeleid (DABM), en een socio-economische vergunning volgens de voorschriften van de Wet op de Handelvestigingen.
Onder het regime van de omgevingsvergunning volstaat één aanvraagdossier voor die 3 aspecten: als een project elementen bevat die onderworpen zijn aan meerdere vergunningsplichten en die aspecten onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn, moet de vergunningsaanvraag immers ingediend worden voor álle betrokken aspecten samen.
Een aanvraag voor kleinhandelsactiviteiten in een nieuw gebouw, zonder vergunningsaanvraag voor de stedenbouwkundige handelingen, zal dus onontvankelijk zijn.
Maar als een vergund gebouw vervangen wordt door een nieuwbouw, met behoud van dezelfde kleinhandelsactiviteiten, zal er enkel een omgevingsvergunningsaanvraag ingediend moeten worden voor het aspect stedenbouwkundige handelingen, en niet voor het aspect kleinhandel.
Dat betekent echter ook dat een projectontwikkelaar voorlopige categorieën zal moeten opgeven wanneer bij het indienen van de bouwaanvraag nog niet bekend is welke handelszaken hun intrek zullen nemen in het gebouw.
In de memorie van toelichting vinden we enkele voorbeelden van toekomstige, al dan niet gecombineerde omgevingsvergunningen:
Omgevingsvergunning
Stedenbouwkundige handelingen
Exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit
Kleinhandelsactiviteiten
Bouw woning
Ja
/
/
Uitbating van schrijnwerkerij in bestaand gebouw
/
Ja
/
Belangrijke wijziging van categorie kleinhandelsactiviteiten
/
/
Ja
Bouw en uitbating van zwembad
Ja
Ja
/
Uitbating van winkel met opslag van gevaarlijke stoffen
/
Ja
Ja
Bouw en uitbating van kledingwinkel
Ja
/
Ja
Bouw en uitbating van winkel met opslag van gevaarlijke stoffen
Ja
Ja
Ja
Kleinhandelsbedrijf en verkoopoppervlakte
De Vlaamse decreetgever herformuleert de bestaande begrippen ‘kleinhandelsbedrijf’ en ‘handelsgeheel’, en geeft een bredere invulling aan het begrip ‘netto handelsoppervlakte’.
Een kleinhandelsbedrijf is een distributie-eenheid waarvan de activiteit bestaat uit het te koop aanbieden of wederverkopen van goederen aan consumenten, zonder die goederen andere behandelingen te laten ondergaan dan de behandelingen die in de handel gebruikelijk zijn. Of, zoals het in de memorie van toelichting staat: een kleinhandelsbedrijf is ‘een winkel’; ‘geen groothandelsbedrijf, geen ambachtelijk bedrijf, geen horecazaak, geen fabriek, geen sportclub, geen schouwburg en geen kantoor’.
De woorden ‘te koop aanbieden’ werden toegevoegd om ook nieuwe concepten af te dekken, waarbij de klant ter plaatse komt kijken, vergelijken en advies inwinnen, maar de eigenlijke verkoop plaats vindt via het internet. E-commerce-afhaalpunten vallen ook onder het begrip kleinhandelsbedrijf, maar hun netto handelsoppervlakte is meestal kleiner dan 400m², zodat zij niet onder de vergunningsplicht vallen.
Een handelsgeheel is vanaf nu een geheel van kleinhandelsbedrijven die voldoen aan de volgende voorwaarden:
  • ze vormen een ruimtelijk aaneengesloten geheel; en
  • ze zijn met elkaar verbonden – van rechtswege of feitelijk – op financieel, commercieel of ruimtelijk vlak.
Het doet er niet toe of de kleinhandelszaken zich al dan niet in afzonderlijke gebouwen bevinden. Het speelt ook geen rol of de zaken al dan niet tot één en dezelfde eigenaar, uitbater of projectontwikkelaar behoren.
De netto handelsoppervlakte is de oppervlakte die bestemd is voor het te koop aanbieden of het verkopen, die toegankelijk is voor het publiek, met inbegrip van de niet-overdekte oppervlaktes. Daar vallen ook de kassazones onder, de zones die zich achter de kassa’s bevinden, én de inkomruimte. Parkings, magazijnen, de refter voor het personeel,… worden in de regel niet meegeteld.
Wijziging van categorie
Binnenkort zal er een omgevingsvergunning voor kleinhandelszaken nodig zijn bij het doorvoeren van een belangrijke wijziging van de categorieën van kleinhandelsactiviteiten.
Een belangrijke wijziging is hier een wijziging van het vergunde aantal vierkante meter handelsoppervlakte voor een welbepaalde categorie van handelsactiviteiten:
  • met minstens 10% van de totale vergunde netto handelsoppervlakte; of
  • met minstens 300m².
De vergunde handelsoppervlakte per categorie van activiteiten zal vastgelegd worden in de omgevingsvergunning.
De decreetgever onderscheidt namelijk 4 categorieën van kleinhandelsactiviteiten:
  • categorie 1 : verkoop van voeding;
  • categorie 2: verkoop van goederen voor persoonsuitrusting (zoals kleding, schoenen, lederwaren of cosmetica);
  • categorie 3: verkoop van planten, bloemen en goederen voor land- en tuinbouw; en
  • categorie 4: verkoop van andere producten.
De decreetgever maakt dit onderscheid omdat elke categorie een andere impact heeft op de leefomgeving. Zo is de verkeersimpact van een supermarkt (voeding) gewoonlijk groter dan die van een kledings- of cosmeticazaak (persoonsuitrusting).
Gewone en vereenvoudigde procedure
De omgevingsvergunning voor kleinhandelsactiviteiten zal, net als de ‘gewone’ omgevingsvergunning, toegekend worden volgens een gewone of een vereenvoudigde procedure. De gewone procedure gaat gepaard met een openbaar onderzoek en een adviesprocedure. Hier zal dat een advies van het Vlaams Agentschap Innoveren en Ondernemen (VIAO) zijn en eventueel van een advies van het nog op te richten Vlaams Comité voor Kleinhandel, dat de rechtsopvolger wordt van het huidige Nationaal Sociaal-Economisch Comité voor de Distributie (NSECD).
Beide organen moeten echter nog officieel aangewezen worden in het uitvoeringsbesluit.
De regels en de termijnen die gerespecteerd moeten worden bij het indienen, behandelen en beslissen over de vergunningsaanvraag, zijn die van het Omgevingsvergunningsdecreet. Zo is er een beslissingstermijn van:
  • 105 of 120 dagen, naargelang er al dan niet een advies van de Omgevingsvergunningscommissie moet worden gevraagd, voor de gewone aanvraagprocedure. Die termijnen kunnen in een aantal situaties verlengd worden met 60 dagen; en
  • 60 dagen – verlengbaar met 60 dagen – voor de vereenvoudigde procedure.
In beroep wordt dat:
  • 120 dagen, verlengbaar met 30 dagen, bij een gewone procedure; of
  • 60 dagen, verlengbaar met 30 dagen, bij een vereenvoudigde procedure.
Wannéér, welke procedure van toepassing zal zijn, moet nog uitgeklaard worden in het uitvoeringsbesluit. Maar volgens de memorie van toelichting zouden de omgevingsvergunningen voor kleinhandelszaken, de vereenvoudigde procedure volgen. Er zal dus géén openbaar onderzoek nodig zijn. Dat is nu ook al zo.
Als de omgevingsvergunningsaanvraag gepaard zou gaan met stedenbouwkundige handelingen of met de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit, zal de gewone procedure gelden.
Beoordeling van de vergunningsaanvraag
Het decreet zelf zegt niet wie de omgevingsvergunning voor kleinhandelsactiviteiten zal afleveren, maar in de regel zal dat het college van burgemeester en schepenen zijn. Die moet bij het afleveren van de vergunning rekening houden:
  • met de in de omgeving bestaande toestand; en
  • met de beleidsmatig gewenste ontwikkelingen volgens de doelstellingen van het integraal handelsvestigingsbeleid.
De 4 doelstellingen van het integraal handelsbeleid zijn:
  • het creëren van duurzame vestigingsmogelijkheden voor de kleinhandel (hergebruik, clustering,…), en het vermijden van ongewenste kleinhandelslinten;
  • het waarborgen van een toegankelijk aanbod voor consumenten (ook voor consumenten die minder mobiel zijn);
  • het waarborgen en versterken van de leefbaarheid in het stedelijk milieu (met een gevarieerd aanbod), en het versterken van de kernwinkelgebieden. Een kernwinkelgebied is hier een gebied dat wordt afgebakend in een gemeentelijke stedenbouwkundige verordening of in gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan, waar er via stedenbouwkundige voorschriften een stimulerend beleid voor kleinhandel wordt gevoerd; en
  • het bewerkstelligen van een duurzame mobiliteit (bereikbaar met het openbaar vervoer, vermijden van lange verplaatsingen en onnodige verkeersstromen).
Het college mag zijn beoordeling in geen geval laten afhangen van ‘economische criteria, per geval’. Immers, economische vergunningscriteria worden verboden door de Europese Dienstenrichtlijn (art. 14.5).
Weigering van vergunning
Een omgevingsvergunning voor kleinhandelsactiviteiten wordt geweigerd als het project onverenigbaar is:
  • met de stedenbouwkundige voorschriften of verkavelingsvoorschriften; of
  • met de doelstellingen van het integraal handelsvestigingsbeleid. De vergunningverlenende overheid heeft hier wel een zekere beoordelingsmarge. De aanvraag kán hier geweigerd worden, maar de overheid is dat niet verplicht. In de memorie van toelichting staat het voorbeeld van een vergunningsaanvraag voor een project dat verenigbaar is met 3 van de 4 doelstellingen van het integraal handelsbeleid, maar dat minder goed overeenstemt met de vierde doelstelling. Volgens de memorie kan de vergunningverlenende overheid dan beslissen om de aanvraag toch toe te staan.
Ook omgevingsvergunningen van tijdelijke duur
Omgevingsvergunningen zijn normaal gezien van onbeperkte duur, maar er bestaan al 9 uitzonderingen op dat principe. De decreetgever voegt er nog een 10de aan toe. Voortaan kunnen er ook omgevingsvergunningen van tijdelijke duur toegekend worden voor projecten die kleinhandelsactiviteiten omvatten, en die voor ten hoogste 12 maanden vergund worden in een bestaand, vergund of hoofdzakelijk vergund gebouw of in een tijdelijke vergunde of van vergunning vrijgestelde constructie.
Tijdelijke omgevingsvergunningen voor kleinhandelsactiviteiten zijn ook mogelijk op grond van de reeds bestaande uitzonderingen, zoals ‘op verzoek van de vergunningsaanvrager’, of ‘om rekening te kunnen houden met de stedenbouwkundige voorschriften van een ruimtelijk uitvoeringsplan’. In die situaties legt de decreetgever zelfs geen minimum- of maximumtermijn op.
Het is echter niet de bedoeling dat nieuwe gebouwen zouden opgericht worden voor het uitbaten van tijdelijke handelsactiviteiten, waarna de gebouwen leeg zouden staan. Vandaar dat een tijdelijke vergunning alleen gevraagd kan worden voor een tijdelijke invulling van bestaande gebouwen of tijdelijke constructies.
De vergunningverlenende overheid moet bovendien motiveren waarom zij een tijdelijke – en geen permanente – vergunning afgeeft.
Vergunning onder voorwaarden
De vergunningverlenende overheid kan voorwaarden verbinden aan de uitoefening van de kleinhandelsactiviteiten.
Deze bepaling staat niet in de huidige federale wet, maar in de praktijk gebeurde dit al.
Geen vergunning meer…
Een omgevingsvergunning voor kleinhandelszaken vervalt van rechtswege wanneer de kleinhandelsactiviteiten niet binnen de 5 jaar na het verlenen van de definitieve omgevingsvergunning aanvangen.
Momenteel bedraagt die termijn 4 jaar, maar die periode kan met 1 jaar verlengd worden; wat ongeveer op hetzelfde neerkomt.
De omgevingsvergunning vervalt ook automatisch wanneer de kleinhandelsactiviteiten gedurende meer dan 5 jaar worden onderbroken.
In beroep bij de RvVb
Betwistingen over het al of niet uitreiken van een socio-economische vergunning worden nu beslecht door de Raad van State, terwijl de betwistingen over het al of niet uitreiken van een stedenbouwkundige of milieuvergunning beoordeeld worden door de Raad voor Vergunningsbetwistingen (RvVb).
Maar aangezien de vergunnings- of weigeringsbeslissing in het kader van de omgevingsvergunning ‘één en ondeelbaar’ is, besliste de Vlaamse overheid om álle uitdrukkelijke of stilzwijgende beslissingen over omgevingsvergunningen en aktenames van meldingen in de toekomst onder te brengen bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen. Dus ook de betwistingen over de omgevingsvergunningen voor kleinhandelsactiviteiten.
Het beroep wordt ingesteld volgens de procedureregels van het DBRC-decreet. Dat is het decreet op de Vlaamse bestuursrechtscolleges.
De Raad van State behoudt zijn cassatiebevoegdheid.
De volgende personen kunnen een beroep indienen bij de RvVb:
  • de vergunningvrager, de vergunninghouder, de exploitant of de persoon die de melding heeft verricht;
  • het betrokken publiek. Dat is: elke natuurlijke of rechtspersoon, alsook elke vereniging, organisatie of groep met rechtspersoonlijkheid die gevolgen ondervindt of waarschijnlijk ondervindt van, of belanghebbende is bij de besluitvorming over de afgifte of bijstelling van een omgevingsvergunning of van de vergunningsvoorwaarden waarbij niet-gouvernementele organisaties die zich voor milieubescherming inzetten, geacht worden belanghebbende te zijn;
  • de leidend ambtenaar van de adviesinstanties of hun gemachtigde, als die instantie tijdig advies heeft verstrekt of als de instantie ten onrechte niet om advies werd gevraagd;
  • het college van burgemeester en schepenen, als het college tijdig advies heeft verstrekt of als het ten onrechte niet om advies werd gevraagd;
  • de leidend ambtenaar van het Departement Leefmilieu, Natuur en Energie (LNE) of zijn gemachtigde;
  • de leidend ambtenaar van het Departement Ruimtelijke Ordening, Woonbeleid en Onroerend Erfgoed (RWO) of zijn gemachtigde; én
  • de leidend ambtenaar van het Agentschap Innoveren en Ondernemen, of bij afwezigheid van de leidend ambtenaar door de gemachtigde van de leidend ambtenaar als het project vergunningsplichtige kleinhandelsactiviteiten omvat.
Dat zijn heel wat personen en instanties...
Onder de huidige wet kunnen alleen de aanvrager zelf, het voltallige Nationaal Sociaal-Economisch Comité voor de Distributie, of een minimumaantal van minstens 7 leden van dat comité, beroep aantekenen tegen het verlenen of weigeren van een handelsvergunning.
Het aantal betwistingen inzake kleinhandelsvergunningen is momenteel erg klein: de Raad van State krijgt slechts een 7-tal dossiers per jaar binnen. Met méér personen die in beroep kunnen gaan, zouden er ook meer dossiers kunnen komen…
In beroep bij het Handhavingscollege
Het huidige Milieuhandhavingscollege wordt bij de inwerkingtreding van de omgevingsvergunning omgevormd tot een Handhavingscollege. Bij dat college kan beroep worden ingesteld tegen bestuurlijke geldboetes en voordeelontnemingen wegens overtreding of vermeende overtreding van:
  • de milieubepalingen uit het DABM;
  • de stedenbouwkundige bepalingen uit de VCRO;
  • de onroerenderfgoedbepalingen uit het Onroerenderfgoeddecreet; en
  • vanaf 1 januari 2018, ook de bepalingen inzake kleinhandelsactiviteiten uit het Decreet op het Integraal Handelsbeleid.
Ook dit beroep wordt ingesteld volgens de regels uit het DBRC-decreet.
Geldboetes
Personen die de vergunningsplicht voor kleinhandelsactiviteiten niet respecteren, en zij die handelen in strijd met de voorschriften van de omgevingsvergunning voor kleinhandelsactiviteiten, kunnen een bestuurlijke boete opgelegd krijgen.
Een boete kan ook opgelegd worden wanneer de kleinhandelsactiviteiten worden voortgezet na een bevel tot staking.
Samen met de bestuurlijke geldboete kan er een voordeelontneming opgelegd worden. Een voordeelontneming is een sanctie waarbij de overtreder verplicht wordt om een geldsom te betalen ter waarde van het brutovoordeel dat hij uit de schending van het voorschrift heeft gekregen.
Het gaat hier om exclusieve bestuurlijke geldboetes. Dat betekent dat deze materie uitsluitend via administratiefrechtelijke boetes gesanctioneerd wordt; dit thema wordt volledig onttrokken aan het strafrecht (gedepenaliseerd).
De hoogte van de boete zal nog bepaald worden in het uitvoeringsbesluit, maar de decreetgever legt alvast een maximum van 10.000 euro op, te vermeerderen met de wettelijke opdeciemen die van toepassing zijn in strafzaken (momenteel: x 6).
De overtredingen worden vastgesteld door de gewestelijke toezichthouders. In eerste instantie zouden dat de gewestelijke toezichthouders van het Agentschap Innoveren en Ondernemen zijn. In een latere fase zouden de vaststellingen ook verricht kunnen worden door andere gewestelijke toezichthouders binnen het departement Leefmilieu, Natuur en Energie.
Binnen de politiezones kunnen er ook toezichthouders aangewezen worden.
Het zijn vervolgens de beboetingsambtenaren van het Agentschap Innoveren en Ondernemen die een boete – al dan niet met voordeelontneming – zullen opleggen.
De boete wordt ingevorderd door het departement Leefmilieu, Natuur en Energie, dat bij niet-betaling een dwangbevel kan uitvaardigen.
Stakingsbevelen en andere
De gewestelijke toezichthouders kunnen ook bestuurlijke maatregelen opleggen bij het niet-respecteren van de regels op de kleinhandelsactiviteiten. Zij kunnen een stakingsbevel uitspreken – al dan niet met verzegeling –, een bevel opleggen tot verwijdering van de producten van een bepaalde kleinhandelscategorie, een geheel of gedeeltelijk exploitatieverbod afkondigen, een dwangsom opleggen…
De huidige Wet op de Handelsvestigingen kent enkel het ‘bevel tot onderbreking’ (nu: ‘stakingsbevel’). De andere bestuurlijke maatregelen én de minnelijke schikking worden ingevoerd om het regime op de kleinhandelsactiviteiten af te stemmen op het Omgevingsvergunningsdecreet en op het Handhavingsdecreet op de Omgevingsvergunning.
Allemaal omgevingsvergunningen…
Alle nog geldende vergunningen voor handelsvestigingen die werden uitgereikt op grond van de huidige Wet op de Handelsvestigingen of van haar voorganger, worden vanaf 1 januari 2018 automatisch beschouwd als omgevingsvergunningen voor kleinhandelsactiviteiten.
Als die vergunningen categorieën van kleinhandelsactiviteiten bevatten die verder zijn opgesplitst dan de huidige categorieën, worden de categorieën automatisch herleid tot de huidige 4 categorieën.
Stedenbouwkundig vergunde kleinhandelszaken die geen vergunning voor handelsvestigingen moesten aanvragen op grond van de oude wetgeving, worden geacht over een omgevingsvergunning voor kleinhandelsactiviteiten te beschikken. Tenzij zij intussen hun assortiment (‘categorie’) grondig wijzigden.
En vergunningsaanvragen die vóór 1 januari 2018 worden ingediend, op grond van de huidige Handelsvestigingswet, worden verder afgehandeld volgens de regels van die wet.
Codificatie?
De vergunnings- en meldingsverplichtingen op het vlak van stedenbouw en milieu worden nog steeds geregeld door de VCRO, wat de stedenbouwkundige aspecten betreft, en door het DABM, wat de milieugebonden aspecten betreft. Het Omgevingsvergunningsdecreet bevat enkel de vergunnings- en meldingsprocedures.
Hetzelfde geldt op het vlak van het handelsbeleid: de verplichting om een omgevingsvergunning voor kleinhandelszaken aan te vragen, vinden we in het nieuwe Decreet op het Integraal Handelsbeleid. Wie de vergunning uitreikt, binnen welke termijnen, hoe men in beroep kan gaan tegen een negatieve beslissing, en andere procedurekwesties vinden we in het gewijzigde Omgevingsvergunningsdecreet; de handhavingsbepalingen staan dan weer in het Handhavingsdecreet bij de Omgevingsvergunning.
De decreetgever zou wel van plan zijn om één geïntegreerd Omgevingswetboek te maken, maar dat zal nog wel een paar jaar duren...
En de andere gewesten?
Het Waalse Gewest koos met het ‘decreet van 5 februari 2015 betreffende de handelsvestigingen’ eveneens voor een volledige integratie van de stedenbouwkundige vergunning, milieuvergunning en socio-economische vergunning. Bij dat decreet horen 2 uitvoeringsbesluiten: een eerste uitvoeringsbesluit, dat de geïntegreerde vergunning laat ingaan op 1 juni 2015, en een tweede besluit, waarin de diensten worden aangewezen die bevoegd zijn om de handelsvestigingen op te volgen.
Het Brussels Hoofdstedelijk Gewest opteerde voor een beperkte integratie van de handelsvergunning in de stedenbouwkundige vergunning, met behoud van een aparte milieuvergunning.
In werking:
  • Op diverse data.
  • Op 1 januari 2018, wat de omgevingsvergunning voor kleinhandelsactiviteiten betreft, en de opheffing van de huidige Wet op de Handelsvestigingen op het grondgebied van het Vlaamse Gewest.

Decreet van 15 juli 2016 betreffende het integraal handelsvestigingsbeleid, BS 29 juli 2016 (DIHB).

  • Wet van 13 augustus 2004 betreffende de vergunning van handelsvestigingen, BS 5 oktober 2004 (huidige Wet op de Handelsvestigingen, die wordt opgeheven).

Gepubliceerd op 02-08-2016

  223