Milieu

Vergunning voor handelsvestiging gedeeltelijk in omgevingsvergunningsdecreet

De bevoegdheid voor de sociaal-economische machtiging werd in de laatste staatshervorming toegewezen aan de gewesten. Met een ‘ontwerp van decreet betreffende het integraal handelsvestigingsbeleid’ (decreet IHB) neemt de Vlaamse overheid de vergunningsplicht voor het oprichten, exploiteren, uitbreiden of wijzigen van een grote handelsvestiging over. De sociaal-economische machtiging zal voortaan ‘omgevingsvergunning voor kleinhandelsactiviteiten’ heten en wordt gedeeltelijk wel, en gedeeltelijk niet opgenomen in de voorschriften op de omgevingsvergunning. Er wordt ook rekening gehouden met de strenge eisen van de Europese Dienstenrichtlijn.

Driehoeksverhouding…

Net zoals de stedenbouwkundige vergunnings- en meldingsplicht ook in de toekomst nog gestuurd wordt vanuit de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (VCRO), en de milieuvergunning en milieumelding aangestuurd worden vanuit het decreet houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid (DABM), zo zal de vergunningsplicht voor een handelsvestiging geregeld worden door een afzonderlijk decreet, het decreet IHB.

Maar in de 3 gevallen zal eenzelfde vergunningsprocedure gevolgd worden, die we nu al terugvinden in het Omgevingsvergunningsdecreet, wat de stedenbouwkundige en milieuaspecten betreft. De bepalingen uit dat decreet worden door het huidige ontwerp aangevuld voor de handelsvestigingen.
Dat betekent dat op termijn 1 dossier zal volstaan voor het bekomen van een stedenbouwkundige vergunning, milieuvergunning én handelsvergunning voor eenzelfde project - bijvoorbeeld voor de bouw van een groot tuincentrum – op voorwaarde dat de bouwheer ook de exploitant is van de handelszaak…

Omgevingsvergunning voor kleinhandelsactiviteiten

Niemand zal zonder voorafgaande omgevingsvergunning voor kleinhandelsactiviteiten:

  • kleinhandelsactiviteiten mogen uitvoeren op een netto handelsoppervlakte van meer dan 400m²:
    • in een nieuw op te richten, niet van vergunning vrijgestelde constructie;
    • in een bestaand gebouw of in een tijdelijk vergunde of van vergunning vrijgestelde constructie, als de handelsactiviteiten
    gedurende meer dan 180 dagen per jaar plaatsvinden, bij overeenstemming met de stedenbouwkundige voorschriften, of gedurende meer dan 90 dagen, in de andere gevallen (er is dus geen handelsvergunning nodig voor een pop-up);
  • kleinhandelsactiviteiten uitbreiden als daardoor de totale netto handelsoppervlakte:
    • meer dan 300m² groter wordt dan de reeds vergunde handelsoppervlakte; of
    • meer dan 20% groter wordt dan de vergunde handelsoppervlakte (de
    meldingsplicht voor kleinere uitbreidingen verdwijnt);
  • kleinhandelsbedrijven of gehelen samenvoegen waardoor de totale netto handelsoppervlakte meer dan 400 m² bedraagt;
  • een belangrijke wijziging van de categorieën van kleinhandelsactiviteiten doorvoeren in een kleinhandelsbedrijf of handelsgeheel met een netto handelsoppervlakte van meer dan 400m². Een belangrijke wijziging is een wijziging die betrekking heeft op minstens 10% van de vergunde oppervlakte of minstens 300m².

Nieuw is dat voortaan de inkomhal altijd meegerekend wordt bij het berekenen van de netto handelsoppervlakte en dat e-commerce-activiteiten óók onder de reglementering kunnen vallen. 

Nog nieuw is de indeling in 4 categorieën van kleinhandelsactiviteiten:

  1. verkoop van voeding;
  2. verkoop van goederen voor persoonsuitrusting (d.w.z.: textiel, kleding, schoenen, lederwaren, parfumerie, cosmetica, sieraden);
  3. verkoop van planten, bloemen en goederen voor land- en tuinbouw (o.m. tuincentra); en
  4. verkoop van andere producten.

Wijzigingen waarbij een activiteit substantieel verschuift van categorie, zijn voortaan vergunningsplichtig. De memorie van toelichting bij het decreet geeft het voorbeeld van een elektrozaak die vergund werd voor 5.000m² ‘andere producten’. Die zou in principe op 500m² (10%) voeding of textiel mogen verkopen zonder een vergunning wegens assortimentswijziging te moeten aanvragen, maar aangezien de maximale oppervlakte beperkt is tot 300m², zal die zaak  op ten hoogste 300m² oppervlakte, andere goederen mogen verkopen dan zijn vergunde ‘andere producten’.

Net als bij een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige of milieugebonden activiteiten, zal de exploitant een omgevingsvergunning voor kleinhandelsactiviteiten kunnen aanvragen volgens een gewone, of vereenvoudigde procedure.

Ten gevolge van de Dienstenrichtlijn kan een vergunning niet (meer) geweigerd worden om zuiver economische redenen.

Winkelarme gebieden

De Vlaamse steden en gemeenten zullen in ruimtelijke uitvoeringsplannen (niet: ruimtelijke structuurplannen) én stedenbouwkundige verordeningen:

  1. kernwinkelgebieden kunnen afbakenen;
  2. winkelarme gebieden kunnen afbakenen;
  3. strengere oppervlaktenormen kunnen opleggen voor de 4 categorieën van handelsactiviteiten. De strengere normen zullen niet gelden voor handelszaken die vergund werden vóór de inwerkingtreding van het nieuwe decreet;
  4. de termijnen vanaf wanneer de omgevingsvergunningsplicht geldt bij tijdelijke activiteiten, kunnen inkorten.

Provinciale rups en provinciale stedenbouwkundige verordeningen kunnen op hun beurt:

  1. winkelarme gebieden afbakenen met een gemeentegrensoverschrijdende impact; en
  2. strengere oppervlaktenormen opleggen voor de 4 categorieën van handelsactiviteiten en verschillende normen hanteren voor bestaande en nieuwe activiteiten.

Een winkelarm gebied is een gebied dat afgebakend wordt in een provinciale of gemeentelijke stedenbouwkundige verordening of een provinciaal of gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan (rup) waar via stedenbouwkundige voorschriften beperkingen aan de kleinhandel worden opgelegd. De gemeentelijke voorschriften moeten passen binnen de provinciale voorschriften, en die moeten op hun beurt in overeenstemming zijn met het gewestelijke beleidskader.

Hoewel het afbakenen van kernwinkelgebieden een exclusieve gemeentelijke bevoegdheid is, kunnen het gewest en de provincie (en de gemeente) kleinhandelszones afbakenen via een ruimtelijk uitvoeringsplan.

Gemeenten, projectontwikkelaars en exploitanten van handelsvestigingen zullen voortaan ook een handelsvestigingsconvenant kunnen sluiten over het voeren van een rationeel aanbod- en locatiebeleid, het ontwikkelen van gezamenlijke initiatieven en de verdeling van de kosten, participatie in het kernversterkend beleid, en facilitering en stabiliteit van het lokale handelsvestigingsbeleid. De overeenkomst wordt aangegaan op vrijwillige basis. Het kan echter niet de bedoeling zijn dat overheidstaken, zoals de aanleg en het onderhoud van straten en straatmeubilair, worden afgewenteld op de handelaars, zoals de Strategische Adviesraad Ruimtelijke Ordening – Onroerend Erfgoed (Saro) vreest.

Elke ingreep van het gewest, een provincie of gemeente moet dan ook kaderen binnen de doelstellingen van het integraal handelsvestigingsbeleid, en die doelstellingen zijn:

  1. creëren van duurzame vestigingsmogelijkheden voor de kleinhandel, waaronder het vermijden van ongewenste handelslinten;
  2. waarborgen van een toegankelijk aanbod voor de consumenten;
  3. waarborgen en versterken van de leefbaarheid van het stedelijke (en rurale) milieu; en
  4. duurzame mobiliteit.

Openbaar onderzoek voor álle stedenbouwkundige verordeningen

Om de gewestelijke, provinciale en gemeentelijke stedenbouwkundige verordeningen wat meer draagkracht te geven, moeten alle ontwerpverordeningen voortaan aan een openbaar onderzoek onderworpen worden. Ook als de ontwerpteksten niets te maken hebben met handelsvestigingen.

Het openbaar onderzoek moet aangekondigd worden in het Belgisch Staatsblad én duurt 30 dagen.

Kleinhandelscomité

De adviserende taken van het (federale) Nationaal Sociaal-Economisch Comité voor de Distributie (NSECD) worden overgenomen door een Vlaams ‘Comité voor Kleinhandel’. Dat zal bestaan uit vertegenwoordigers van de Vlaamse administratie, en van de verbruikers-, de werkgevers- en de werknemersorganisaties. De concrete samenstelling en werking zullen nog uitgewerkt worden in een uitvoeringsbesluit.

Het Kleinhandelscomité zal ook een bemiddelende taak krijgen bij geschillen over de toepassing van handelsvestigingsconvenanten.

Impact op ander gewest

Als een project, vergunningsplichtige handelsactiviteiten omvat met een netto handelsoppervlakte van meer dan 20.000m² en dat project gerealiseerd wordt op minder dan 20 km afstand van een ander gewest, moet de Vlaamse regering daarvan op de hoogte gebracht worden (tenzij het gewest zelf de vergunningverlenende overheid zou zijn), zodat die de autoriteiten van het betrokken gewest op de hoogte kan brengen en er eventueel overleg kan plaatsvinden.

Handhaving door politie en andere toezichthouders

De Vlaamse regering zal onder de personeelsleden van het gewest toezichthouders aanwijzen die zullen toezien op de naleving van de vergunningsplicht inzake handelsvestigingen. Naar verluidt zal de regering die gewestelijke toezichthouders aanwijzen binnen het Vlaams Agentschap Innoveren en Ondernemen (VAIO). Op termijn zouden ook de gewestelijke toezichthouders van het eengemaakte omgevingsdepartement die bevoegdheid krijgen.

Daarnaast kunnen ook personeelsleden van de politiezones aangewezen worden als lokale toezichthouder.

De toezichthouders kunnen raadgevingen en aanmaningen formuleren en verslagen van vaststelling opstellen. Inbreuken op de kleinhandelsregels zullen op Vlaams vlak volledig administratiefrechtelijk vervolgd worden.

Beroepen tegen een exclusieve bestuurlijke geldboete of voordeelontneming zullen behandeld worden door het Handhavingscollege; dat is de rechtsopvolger van het huidige Milieuhandhavingscollege.

Meer kans op beroep

Beroepen tegen het al of niet toekennen van een handelsvergunning zullen behandeld worden door de Raad voor Vergunningsbetwistingen (RvVb), die momenteel al bevoegd is voor:

  • stedenbouwkundige vergunningsbeslissingen;
  • valideringsbeslissingen;
  • registratiebeslissingen (‘als vergund geacht’); en
  • vanaf 23 februari 2017 ook voor omgevingsvergunningsbeslissingen.

De beroepsmogelijkheden worden aanzienlijk uitgebreid. Momenteel kunnen alleen het Nationaal Comité en de aanvrager zelf beroep instellen tegen het al of niet verlenen van een sociale machtiging. In de toekomst kan er beroep ingediend worden door de aanvrager, door het Vlaams Agentschap Innoveren en Ondernemen en door elke natuurlijke persoon of rechtspersoon, en vereniging, organisatie of groep met rechtspersoonlijkheid die gevolgen ondervindt of waarschijnlijk ondervindt van, of die belanghebbende is bij de besluitvorming over de vergunning. Niet-gouvernementele organisaties die zich inzetten voor de bescherming van het milieu, worden automatisch beschouwd als ‘belanghebbenden’.

Vanaf publicatie in het BS

Als het ontwerp va n decreet IHB zonder grote wijzigingen gestemd wordt in het Vlaams Parlement, zal het in werking treden op de dag van publicatie in het Belgisch Staatsblad. De huidige sociaal-economische machtigingen zullen automatisch beschouwd worden als omgevingsvergunningen voor kleinhandelsvestigingen, maar nieuwe restricties zouden maar een beperkte impact hebben op de reeds verleende vergunningen.
De ontwerptekst bevat echter nog verscheidene andere, afwijkende data van inwerkingtreding.

Wannéér de ontwerptekst in het BS zal verschijnen is overigens nog niet duidelijk. Vooreerst omdat de ontwerptekst nog het hele parlementaire traject moet doorlopen. En vervolgens omdat minister van Omgeving Joke Schauvliege al meermaals in het Vlaams Parlement verkondigde dat zij eerst de omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige en milieugebonden activiteiten operationeel wil hebben, vooraleer zij de omgevingsvergunning voor kleinhandelsactiviteiten uitrolt. En de omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige en milieugebonden activiteiten treedt pas in werking op 23 februari 2017.

Gepubliceerd op 17-05-2016

  181