Antwoorden bij de heropstart onder coronavoorwaarden


 Begin februari hadden we de eerste positieve coronatest in België. Dat is vandaag nog maar drie maanden geleden, maar het lijkt wel een eeuwigheid. Sinds de vorige podcast op 25 maart steeg het aantal bevestigde COVID-19-gevallen van 4.000 naar 47.000. Het aantal overlijdens steeg van 180 naar maar liefst 7.500. Maar er is ook goed nieuws: de piek begint af te zwakken. Iedereen bereidt zich voor op een langzame herneming van de activiteiten. Dat is een heel nieuw en positief perspectief, zowel voor de bevolking als voor de bedrijven en organisaties, hun werknemers en hun preventieadviseurs. In de derde podcast over corona legden we Edelhart Kempeneers, arbeidsarts en medisch directeur bij Attentia, enkele vragen voor die bij de terugkeer naar ‘het nieuwe normaal’ in veel organisaties naar boven komen.
 

Generieke en sectorgidsen en bijhorende tools zijn beschikbaar als inspiratie om een individueel bedrijfsscenario uit te werken. Toch hebben vele preventieadviseurs nog heel wat vragen over de organisatie van de heropstart. Duidelijke richtlijnen zijn onmisbaar om correcte adviezen te geven ter preventie van een coronabesmetting in een werkomgeving.

Enkele bedrijven zijn op 11 mei effectief opnieuw opgestart. Voor andere organisaties blijft telewerk de norm en moet de heropstart nog aangepakt worden. Met arbeidsarts dokter Edelhart Kempeneers van Attentia zoomen we in op de bedrijven die al opnieuw opgestart zijn: waar worstelen deze bedrijven, hun preventieadviseurs en hun werknemers het meest mee? Wat kunnen we leren uit hun aanpak en ervaringen? En hoe kunnen preventieadviseurs, vanuit die evaluatie, de aanpak bijsturen, zowel voor bedrijven die al opnieuw aan het werk zijn als voor de organisaties die er nog moeten aan beginnen?

En vooral: laat ons het basisprincipe van de preventiehiërarchie niet vergeten. We nemen dit principe als kapstok om in te gaan op de noodzakelijke voorwaarden om op een veilige manier weer aan het werk te gaan.

Uitdagingen voor de preventieadviseur

- Hoe kan men de heropstart het best voorbereiden? Welke rol speelt de preventieadviseur hierbij?

Edelhart Kempeneers: “Voor de heropstart van bedrijven suggereer ik om de preventiehiërarchie als kapstok te gebruiken. Op die manier vergeet men geen aandachtspunten. De generieke COVID-19-gids van de federale overheid gebruikt deze aanpak trouwens ook. De gids kan dus zeker als inspiratiebron dienen. De rol van de preventieadviseur bestaat uit het actief meedenken over een concrete aanpak, inclusief de aandacht voor andere effecten die dergelijke werkwijze met zich mee kan brengen. Hierbij moeten de gezondheid en bescherming van medewerkers steeds als een rode draad door de aanpak lopen. Als voorbeeld geef ik het aanbrengen van plexiglas veiligheidsschotten in busjes, wat een veiligheidsrisico inhoudt. Of nog: het gebruik van ontsmettingsmiddelen met alcohol op warme oppervlakken geeft een risico op brand. Het zijn dergelijke concrete cases waar een preventieadviseur mee over kan nadenken.”

- U hebt allicht een aantal bedrijven begeleid om weer op te starten. Wat zijn vanuit uw ervaring de belangrijkste aandachtspunten?

EK: “Een structurele aanpak, van begin tot einde, is zeer belangrijk. Vanuit de grote lijnen kan men bepalen hoe men details correct kan aanpakken. Ook is het cruciaal om een langetermijnvisie te hebben en niet enkel een adhoc-aanpak te voorzien. Een aanpak op lange termijn kost minder tijd, energie en geld. Hierover grondig nadenken loont dus zeker de moeite. Betrek ook alle partijen in het overleg: werknemers, werknemersvertegenwoordigers, leidinggevenden… Elke partij kan een nuttige bijdrage leveren aan het heropstartproces. En last but not least: besteed voldoende aandacht aan interne communicatie, waarbij werknemers via vraag en antwoord meer inzicht krijgen in waarom bepaalde maatregelen wel of niet genomen worden.”

Preventiehiërarchie

- Waarom is de logica van de preventiehiërarchie zo belangrijk bij de heropstart?

EK: “Het is een structurele manier van aanpak, met ook een duidelijk sjabloon als leidraad. Je start met de meest effectieve maatregelen die het risico zoveel mogelijk elimineren. Als dat niet mogelijk is, ga je naar de volgende stap om de blootstelling maximaal te verhinderen. Bedoeling is om op elk mogelijk niveau maatregelen te nemen. Op die manier heb je ook een kapstok en geheugensteun om de maatregelen aan te hangen. Daarom is het nuttig om dergelijke aanpak te gebruiken.”

1. Eliminatie van het risico: vaccin - medicatie

- Bovenaan de preventiehiërarchie staat de eliminatie van het risico. Is er al zicht wanneer er een vaccin beschikbaar zal zijn?

EK: “Over dit thema lopen de meningen sterk uiteen. Er worden momenteel ongeveer 90 vaccins getest. In Oxford wordt een vaccin ontwikkeld dat een grote kans op slagen zou kunnen hebben. Onderzoekers waren hier al een tijdje bezig met een vaccin tegen de overige coronavirussen die verkoudheden veroorzaken. Als dit vaccin het SARS-CoV-2-virus zou kunnen verslaan, dan is september als deadline niet denkbeeldig. Maar dat is nog niet zeker. Ook Janssen Pharmaceutica is hier al actief mee bezig. Ervan uitgaand dat het vaccin effectief zal werken, starten ze eind dit jaar de productie op, om op die manier een miljard vaccins te kunnen aanleveren in het eerste kwartaal van 2021. Maar als die gok verkeerd afloopt, dan staan we opnieuw op nul. Het zou ook anderhalf jaar of langer kunnen duren, wat op zich nog altijd heel snel is. Standaard neemt de ontwikkeling van een virus vijf jaar in beslag. Men zoekt trouwens al 35 jaar naar een vaccin tegen HIV. Het is dus zeker niet evident om een effectief én veilig vaccin op zo’n kort tijdsbestek te ontwikkelen.”

- Is er al meer informatie over mogelijke behandelingen?

EK: “Bij het begin van de pandemie keek iedereen hoopvol naar chloroquine, het oude anti-malariavaccin. Maar jammer genoeg bleek dit vaccin niet de verhoopte game changer. Het zou de genezing wel wat kunnen versnellen, maar het effect is dus eerder beperkt. Nu is er wel goede hoop met Remdesivir, een antiviraal middel tegen Ebola. Met dit middel zouden patiënten 30 procent sneller genezen, al is daar ook nog geen absolute zekerheid over. De eerstkomende maanden zie ik – zonder doeltreffend vaccin of medicijn – dus nog geen grote wijzigingen gebeuren op het vlak van risico-eliminatie.”

2. De blootstelling verhinderen: telewerk

- Een van de maatregelen om de blootstelling aan het coronavirus op het werk te verhinderen, is telewerk. Hoe kan je er voor zorgen dat medewerkers toch op een ergonomisch verantwoorde manier telewerken?

EK: “Ik wil eerst benadrukken dat telewerk de norm blijft. Deze werkvorm is momenteel de meest effectieve manier om de verspreiding van het coronavirus op de werkvloer in te dijken. Als men niet aanwezig is op kantoor, dan kan men ook geen andere collega’s of andere personen besmetten. Om telewerk op een ergonomisch verantwoorde manier te laten doen, kun je als werkgever je collega’s adviezen geven via online opleidingen of webinars, met informatiefiches en individuele begeleiding vanop afstand. Je kan ook materiaal laten leveren, zoals bijvoorbeeld aparte toetsenborden en muizen voor werknemers die met een laptop werken. Ik las recent een voorbeeld van een bedrijf dat bij werknemers thuis oudere (maar nog steeds kwaliteitsvolle) ergonomische stoelen liet leveren.”

- Telewerk is bij sommige bedrijven en organisaties al goed ingeburgerd. Heeft dit geen psychosociale impact op medewerkers? Hoe kan men daar het best mee omgaan?

EK: “Langdurig telewerken kan bij heel wat werknemers effectief voor extra psychosociale belasting zorgen. De redenen hiervoor liggen voor de hand: werknemers zien elkaar niet meer op de werkvloer, en thuiswerk kan mentaal belastend zijn als men thuis bijvoorbeeld geen aparte werkruimte heeft. Dan wordt de grens tussen werk en privé heel vaag. Als werkgever kun je actief contact onderhouden met je medewerkers, door elkaar te bellen of met elkaar te chatten. Ook online teamvergaderingen bieden een meerwaarde, omdat je op die manier het sociale netwerk in stand houdt. Zo kunnen medewerkers elkaar ook via video zien. Daarnaast zijn infosessies met praktische tips om te ontstressen interessant. Ook psychosociale ondersteuning via de externe dienst kan het mentale welzijn van werknemers verbeteren.”

 
3. De blootstelling verhinderen: verwijderen van zieke werknemers of werknemers met verhoogd risico

- Waar telewerk niet mogelijk is, kan men de blootstelling aan het virus verhinderen door onder andere zieke werknemers niet te laten werken. Maar hoe kan men die nu het best identificeren? Wat is de laatste stand van zaken wat de testcapaciteit betreft? En moeten we nu wel of niet kiezen voor infrarood temperatuurmeting?

EK: “Alles start met correcte instructies aan de werknemer. Hij of zij draagt de verantwoordelijkheid om bij de eerste ziektesymptomen thuis te blijven en de huisarts te contacteren. Op basis van nieuwe Scienscano-richtlijnen van 4 mei jl. kan de huisarts deze werknemers testen (iets wat voordien voorbehouden was voor de zorgsector) en kan identificeren of ze COVID-19-positief zijn. Daarna volgt tracking and tracing van personen met wie de zieke werknemer in contact is gekomen, met de mogelijkheid om andere besmette personen te verwijderen van de werkvloer.”

“Een ander aspect betreft de bloedafnames. Enerzijds heb je sneltesten, die in België echter gedurende zes maanden verboden zijn omdat ze te onbetrouwbaar zijn (met teveel vals-negatieve resultaten). Anderzijds heb je de klassieke bloedtesten, die momenteel nog in validatie zijn. Dergelijke test geeft een beeld wie een COVID-19-besmetting doorgemaakt heeft en wel of niet immuniteit opgebouwd heeft.”

“Tot slot is er al veel gezegd en geschreven over temperatuurmetingen. Ik vind dit persoonlijk geen goede vorm van preventie. De FOD WASO vermeldde deze metingen steeds als een van de mogelijke maatregelen, maar ondertussen heeft de FOD hierover een andere mening en is structurele temperatuurmeting zelfs verboden. Mijn advies is dat dergelijke maatregel – mits correct uitgevoerd en in overleg met het CPBW – wel kan, maar niet aan te bevelen is. In een recent nieuwsartikel op senTRAL ben ik hier al dieper op ingegaan.”

- Werknemers met een verhoogd risico bij het doormaken van COVID-19 moeten mogelijk preventief verwijderd worden uit een risicovolle arbeidsomgeving. Hoe pakt men dat het best aan, ook op het vlak de privacy?

EK: “Hier gaat het om personen die zelf niet ziek zijn, maar wel tot een risicogroep behoren: 65-plussers, diabetici of mensen met chronische longziektes of hart- en vaataandoeningen. In dit geval informeert men als werkgever de werknemers dat er een aantal risicogroepen zijn, en dat ze bij twijfel of vragen de behandelende arts en/of arbeidsarts kunnen contacteren. Het contact met de arbeidsarts kan op een anonieme manier plaatsvinden. Het is wel belangrijk dat de aanpak een risicovolle arbeidsomgeving als uitgangspunt neemt. Als op de werkplek voldoende sociale distancing mogelijk is, dan is verwijdering van betrokken werknemers uit risicogroepen niet nodig. Als dergelijke preventieve maatregelen praktisch niet mogelijk zijn, dan is een aanpassing van een werkpost of overplaatsing naar een andere werkomgeving aan te bevelen. Pas wanneer al deze ingrepen niet haalbaar zijn, kan men tijdelijke overmacht inroepen. Let wel: omdat we verwachten dat de huidige preventieve maatregelen nog een hele tijd van toepassing zullen zijn (tot een vaccin beschikbaar is), moeten we beseffen dat we niet alle werknemers langere tijd in tijdelijke overmacht kunnen plaatsen.”

4. De blootstelling verhinderen: collectieve bescherming

Collectieve beschermingsmaatregelen zijn aangewezen wanneer werknemers niet kunnen telewerken en dus toch fysiek ter plaatse moeten zijn op de werkplek.

-- ‘Social distancing’

- Een van de bekende maatregelen is ‘social distancing’. Hoe zorg je ervoor dat medewerkers voldoende afstand houden van elkaar?

EK: “Een goede aanpak start met de inrichting van de lokalen en de werkplaatsen. Als je slechts één stoel per tafel voorziet, dan zorgt dit automatisch voor de nodige social distancing. Ook kunnen markeringen op de vloer met wandelrichtingen aangebracht worden. Bij meerdere in- en uitgangen, bijvoorbeeld één ingang en één uitgang, kan je het circulatieverkeer in één richting sturen. Uiteraard geldt dit niet bij noodsituaties, waar alle uitgangen voor alle werknemers toegankelijk moeten blijven.”

- Is de afstand van anderhalve meter tussen werkplekken voldoende? Of moet men toch tussenschotten in plexiglas installeren?

EK: “Ik raad hierbij aan om op lange termijn te denken. De afstand van anderhalve meter is een officiële richtlijn. Toch is het niet zo dat 1,4 meter een zwaar risico oplevert en 1,6 meter het besmettingsrisico tot nul herleidt. Zo eenvoudig is het jammer genoeg niet. Het is in elk geval niet verstandig om werkplekken rechtover elkaar te installeren. Plexiglas is – zeker op lange termijn – een nuttige aanvulling. En misschien is een volledig glazen wand een nog betere optie. Want in een worst case scenario moeten we drie jaar op een vaccin wachten. Het is ook mogelijk dat het COVID-19-virus blijft muteren en lang blijft circuleren, daarom pleit ik voor structurele oplossingen.”

- Veel organisaties hebben allicht niet de nodige ruimte om medewerkers te spreiden. Hoe ga je daar het best mee om?

EK: “Dat is zeker geen evidente oefening in sommige bedrijven en organisaties. Toch zijn er enkele opties om het aantal werknemers op dezelfde werkplek te beperken, met onder andere telewerk, glijdende arbeidsuren of fysieke afscherming. Mondmaskers zijn als het ware het laatste redmiddel wanneer er geen andere opties zijn. Het langdurig dragen van een mondmasker is trouwens verre van comfortabel. In elk geval raad ik werkgevers aan om alle partijen bij het overleg te betrekken om gemeenschappelijke oplossingen te vinden. Vaak hebben individuele werknemers creatieve ideeën die mee een oplossing kunnen aanreiken.”

-- Reiniging en ontsmetting

- Is het zinvol om het gebouw grondig te reinigen alvorens opnieuw op te starten? Het virus overleeft toch maar een beperkt aantal dagen?

EK: “Het SARS-CoV-2-virus kan tot twee à drie dagen overleven op plastic en roestvrij stalen oppervlakken. Dit is echter geen synoniem voor risico op besmetting: na ca. 24 uur is dat risico al heel sterk gedaald. Een grondige reiniging dient dus vooral om werknemers gerust te stellen. Een aandachtspunt bij een heropstart is echter wel om leidingen goed door te spoelen, om het besmettingsrisico met de legionellabacterie te vermijden.”

- Er wordt veel gepraat over reinigen en ontsmetten. Wat is het verschil tussen beide? En hoe past men dat het best toe? Is zeep voldoende, of gebruiken we toch beter chloor of Dettol?

EK: “Bij het reinigen van de toiletbril gaat het vooral om het verwijderen van visueel vuil en vlekken, terwijl bij ontsmetting desinfectiemiddelen gebruikt worden. Zeep is en blijft het meest efficiënte desinfectiemiddel: na 40 seconden wordt het virus inactief gemaakt. Ook alcohol is zeer efficiënt, met een effect na één minuut. Voor grote oppervlakken raad ik chloorverbindingen aan, zoals verdund bleekwater (met 40 ml per liter water). Daarnaast zijn er andere doeltreffende desinfecterende middelen beschikbaar, zoals Dettol (al is dit middel nog niet getest op het SARS-CoV-2-virus). Tot slot zijn er nog andere toepassingen, zoals met UV-licht of ozon, voor een meer gespecialiseerde aanpak.”

- Hoe frequent moet men reinigen? Zijn er aanbevelingen die iets concreter zijn dan 'regelmatig' reinigen, zoals in de generieke gids vermeld staat?

EK: “De frequentie van reinigen hangt af van het type oppervlak en hoe frequent het gebruikt wordt. Drukknoppen op een koffieautomaat of in de lift worden het best na elk gebruik gereinigd, al is dit in de praktijk niet realiseerbaar. Daarom luidt het advies om dergelijke oppervlakken vóór elke nieuwe shift te reinigen. In de buurt van dergelijke omgeving voorzie je als werkgever ook best de mogelijkheid om de handen te wassen. Want als je met ongewassen handen de slijmvliezen van je ogen of neus aanraakt, dan ga je jezelf besmetten. Het wassen van handen voorkomt dit.”

- Kan men nog veilig de stofzuiger gebruiken?

EK: “Dat vormt geen probleem. Een stofzuigzak is immers zelf een filter. Ook zakloze stofzuigers hebben een filtersysteem, zoals bijvoorbeeld HEPA. Het SARS-CoV-2-virus overleeft sowieso niet lang buiten ‘droplets’ (druppels), en dus is de verspreiding via lucht van de stofzuiger minimaal.”

-- Ventilatie

- Hoe kan men de verluchting het best organiseren (instelling van de airco, vensters openen,…)?

EK: “Bij dit thema is het uitgangspunt vrij eenvoudig: hoe meer ventilatie, des te beter. Airconditioning is geen bepalende factor in de verspreiding van het SARS-Cov-2-virus. Maar helemaal uit te sluiten is deze factor echter niet, en zeker niet in situaties waar men met meerdere werknemers langere tijd in dezelfde werkruimte verblijft. In het kader hiervan heeft de REHVA (de Europese koepelorganisatie voor verenigingen van leveranciers van verwarming, ventilatie en airconditioning) hierover concrete richtlijnen opgesteld. Concreet houdt dit in dat men meer moet ventileren dan gewoonlijk, en geen hercirculatie van de lucht mag toepassen. Waar onvoldoende ventilatie mogelijk is, wordt aangeraden maximaal de ramen te openen.”

 
5. De blootstelling verhinderen: persoonlijke bescherming
 
Persoonlijke beschermingsmiddelen spelen ook een belangrijke rol in deze preventiehiërarchie.
 
-- Handhygiëne

- Kunt u de basisprincipes van handhygiëne nog even verduidelijken?

EK: “In het dagelijks leven is het risico op zelfbesmetting zeer reëel, en dit door het aanraken van de slijmvliezen van mond, neus en ogen met ongewassen handen. Uit onderzoek blijkt dat we ons gezicht ruim zestien keer per uur onbewust aanraken. Het regelmatig wassen van de handen met water en zeep blijft dus cruciaal.”

- Is alcoholgel even werkzaam als wassen met zeep? Kunt u specifieke producten aanbevelen?

EK: “Zeep is het meest efficiënt, met een effect na 40 seconden. Bij alcoholgel treedt het reinigingseffect op na circa één minuut. Als werknemers stromend water ter beschikking hebben, raad ik dus zeker het gebruik van zeep aan. Antibacterieel biedt alcoholgel geen meerwaarde. En veelvuldig gebruik ervan is zelfs slecht voor de normale huidflora en kan pijnlijke huidkloven veroorzaken. Daarom beveel ik ofwel een hypoallergeen alternatief aan, ofwel een sterk ruikend middel, zodat je minder onbewust je gezicht gaat aanraken.”

- Hebben handdrogers of blazers de voorkeur op papier, of niet?

EK: “Wegwerppapier is het ideale middel om handen te drogen. Handdrogers of blazers zijn echter ook goed. Er zijn momenteel nog geen indicaties dat het gebruik van deze toestellen een verhoogd risico inhoudt.”

-- Mondmaskers

- Wanneer zijn mondmaskers aangewezen? Welk type gebruikt men het best?

EK: “Mondmaskers zijn aangewezen als de afstand van anderhalve meter niet gegarandeerd kan worden. In het openbaar volstaat een zelfgemaakt of stoffen mondmasker (die houden besmettelijke druppels voldoende tegen), terwijl ik in de werkomgeving het gebruik van een chirurgisch masker of een herbruikbaar masker met filter aanbeveel. Bij zeer nauw contact of in een zorgomgeving (met contact met zieke mensen) wordt een FFP2-masker aanbevolen. Dit type masker is trouwens vanwege de voorraadschaarste voorbehouden voor de zorgsector. Een aandachtspunt hierbij is wel dat een sterkere filter tegelijk de ademweerstand vergroot. Het dragen van een professioneel masker gedurende een langere periode is dus niet comfortabel.”

- Als social distancing bij de heropstart niet altijd gerespecteerd kan worden, is het dragen van een mondmasker dan voldoende om deze maatregel te compenseren?

EK: “Op deze vraag is een zwartwit-antwoord moeilijk. Het doeltreffend dragen van een mondmasker hangt van specifieke omstandigheden af. Is het tijdelijk of gedurende de hele dag? Welke mondmaskers voorzie je (zelfgemaakt, chirurgisch of FFP2)? Een FFP2-masker heeft een veel grotere ademweerstand dan een chirurgisch masker, wat het draagcomfort niet bevordert. Een andere vraag is hoe fysiek belastend het uit te voeren werk is, omdat dit ook een invloed heeft op de ademweerstand. Dus in feite moet je een grondige risicoanalyse maken, met advies van de interne preventieadviseur en – waar mogelijk – de arbeidsarts.”

- Een minuut de handen wassen met water en zeep is voldoende. De zeep doodt het virus. Waarom moeten mondmaskers dan op 60° Celsius gewassen worden (of 90°?)? Doodt de zeep in dat geval dan niet voldoende?

EK: “Dat is een terechte vraag. Studies hebben aangetoond dat het virus effectief gedood wordt bij wassen aan een temperatuur van 80° Fahrenheit, omgerekend 27° Celcius. Bepaalde bacteriën en andere types virussen (zonder lipidenmantel) die ook op deze mondmaskers komen, worden pas op 60° Celcius gedood. Daarom is wassen op 60° Celsius de beste garantie om alle types virussen te doden.”

- Wanneer gebruikt men best een ‘face shield’? Is dit beschermingsmiddel veiliger of comfortabeler?

EK: “Een face shield is geen alternatief voor een mondmasker. Het is wel een extra beschermingsmaatregel voor mensen die nauw contact hebben met zieke mensen. Een face shield houdt de druppels tegen als zieke mensen hoesten of niezen.”

- Moet men ook mondmaskers voorzien voor bezoekers?

EK: “Dat hangt vooral af van de aard van het bezoek. Als social distancing moeilijk of niet gerealiseerd kan worden, dan kan het dragen van een mondmasker als voorwaarde gesteld worden om een bedrijfsgebouw te betreden. Als een bezoeker zelf geen mondmasker bij zich heeft, kun je deze aan de receptiedesk ter beschikking stellen.”

-- Signalisatie

Waarschuwingen en werkinstructies staan op de laagste ladder van de preventiehiërarchie, maar zijn er toch een cruciaal onderdeel van.

- Waarvoor moet je de nodige waarschuwingen en instructies voorzien? Waar vind je hiervoor het nodige voorbeeldmateriaal?

EK: “Het gaat hier om informatie die werknemers moeten kennen om de voorziene preventiemaatregelen correct toe te passen. Dit kan diverse thema’s omvatten: arbeidsorganisatorische maatregelen (zoals wandelrichtingen en beperkingen in de bedrijfsrefter), instructies over het correct wassen van de handen, het zorgvuldig aan- en uitdoen van een mondmasker of aanduidingen waar men handzeep of alcoholgel kan vinden. De meeste externe diensten hebben dergelijke affiches gemaakt. Ook bij sentral kun je relevante stickers en dergelijke vinden. Daarnaast stellen de overheid en werkgeversorganisaties heel wat interessante hulpmiddelen ter beschikking. Ik adviseer wel om enkel gevalideerde documenten te gebruiken, en zelfs die laat je best nog eens extra nakijken. Want vreemd genoeg zag ik ook bij officiële bronnen soms foutieve informatie circuleren.”

- Waar plaats je deze instructies het best? Bestaan daar richtlijnen voor?

EK: “De generieke gids van de overheid is een zeer goede wegwijzer. Dit praktijkgerichte document vormt een goede vertrekbasis voor instructies. Daarnaast geraak je een heel eind verder met het nodige gezond verstand. Samen met vertegenwoordigers van de betrokken partijen maak je best ook een rondgang van de werkplaatsen, waarbij je nadenkt waar een affiche of markering een meerwaarde biedt.”

--Circulatieplan

- Hoe regel je het circulatieplan in een bedrijf op de beste manier?

EK: “Je kan ‘IKEA-gewijs’ markeringen aanbrengen op wanden en vloeren. Zo duid je aan waar werknemers moeten wandelen of staan, bijvoorbeeld in een wachtrij aan de kassa van het bedrijfsrestaurant. Zo kun je ook een circulatieplan opmaken. Met dit plan geef je aan hoe collega’s moeten binnenkomen en buitengaan. Zo vermijd je dat de paden van mensen elkaar kruisen. Bij meerdere in- en uitgangen kun je de setting in die zin wijzigen dat de ene locatie enkel de ingang is en de andere enkel als uitgang dient, behalve uiteraard bij noodsituaties.”

- Heeft u tips over de vorm waarin deze instructies moeten gegeven worden? Vooral visueel? Wat met verschillende talen of medewerkers met een visuele beperking?

EK: “Dat zijn terechte vragen. Ik pleit er alleszins voor om de instructies zo eenvoudig mogelijk te houden. Ik heb immers al affiches gezien – door experten opgesteld – waarop alle mogelijk relevante informatie en ‘caveats’ vermeld worden (zoals bijvoorbeeld ‘Reinigen met alcohol, maar opletten op warme oppervlakken voor het brandrisico’). Die overload van informatie heeft net een averechts effect, zodat niemand dergelijke affiches nog leest. Meer dan ooit geldt hier dus het basisprincipe ‘less is more’: de informatie moet idealiter in één oogopslag duidelijk zijn.”

 
Communicatie

- Heeft u aandachtspunten bij de algemene communicatie in het bedrijf?

EK: “Ik adviseer om werknemers bij het overleg te betrekken. Geef dus geen preventieplan dat kant-en-klaar is, maar zorg ervoor dat collega’s hun input geven en vragen kunnen stellen. Op basis hiervan is een eventuele bijsturing van het plan mogelijk. Wees daarnaast ook transparant: wat doe je precies? Waarom is die maatregel ingevoerd? En waarom doen we andere dingen net niet? Wees duidelijk en concreet, zodat het plan niet nodeloos complex wordt. Daarnaast adviseer ik ook om een Q&A-moment in te plannen, bijvoorbeeld via Microsoft Teams, Zoom of Google Meet. Op die manier kun je samen met de collega’s alle bekommernissen uitklaren.”

- Er is veel aandacht voor de psychosociale impact van de coronacrisis. Hoe kan je hierover het best communiceren?

EK: “De psychosociale impact van de coronacrisis moet correct gekaderd worden. Maar tegelijk moet deze impact niet gedramatiseerd worden. Mensen zijn immers zeer wendbaar. De meeste mensen passen zich aan de gewijzigde omstandigheden aan. Sommigen zullen het wel moeilijk hebben met de nieuwe omstandigheden en bijvoorbeeld schrik hebben om (opnieuw) het openbaar vervoer te gaan gebruiken. Sta hiervoor open, en bekijk hoe je concreet zulke vragen en bedenkingen kan ondersteunen. Dit kan eventueel met hulp van de externe dienst. Maar normaals: ga er niet van uit dat vele collega’s in paniek naar hun werk zullen gaan.”

- Sommige werknemers betrekken hun medewerkers actief via een enquête, waarbij zij suggesties voor de opstart kunnen doen? Is dit zinvol volgens u?

EK: “Dat is zeer nuttig. Bij Attentia hebben we onze klanten ook een gratis bevraging aangeboden. Dit biedt ons de mogelijkheid om via een geanonimiseerd rapport te zien wat er concreet leeft bij de werknemers. Op basis van deze resultaten kun je vervolgens bijsturen en aangepaste maatregelen nemen. Als je bijvoorbeeld ontdekt dat collega’s schrik hebben om besmet te worden op het openbaar vervoer of op de werkplek, dan kun je communiceren hoe je dat risico beperkt. Is er eerder vrees voor de werkzekerheid? Bespreek dit dan ook open in de onderneming. En zo zijn er zeker nog interessante vragen die je via een enquête kan ontdekken.”

De taak en de toekomst van de preventieadviseur

- Heeft u nog raadgevingen voor de preventieadviseur in deze bijzondere periode?

EK: “Door de huidige coronacrisis krijgen preventieadviseurs een centrale rol binnen bedrijven en organisaties. Steeds meer werknemers ontdekken wat hij of zij doet. Als preventieadviseur is dit een uitgelezen kans om de meerwaarde van de eigen job aan te tonen. Wees daarom zo pragmatisch en concreet mogelijk in de adviezen die je geeft. Uiteraard moeten uw adviezen op objectieve richtlijnen gebaseerd zijn, maar ze moeten ook duidelijk en werkbaar zijn voor collega’s.”

- Moeten de preventieadviseur en het management meer aanwezig zijn bij de heropstart?

EK: “Absoluut. Een fysieke rondgang bij de heropstart is zeker aan te bevelen, eventueel als bedrijfsbezoek. Bij zo’n bezoek kan de werknemersafvaardiging en een preventieadviseur (arts of ander profiel) van de externe dienst aanwezig zijn. Deze werkwijze biedt werknemers de kans om bijkomende vragen te stellen of opmerkingen te geven. Tegelijk kunnen de interne preventieadviseur en het management evalueren waar er eventueel bijkomende meetregelen of uitleg nodig zijn.”

- Ziet u ook positieve zaken in deze coronacrisis over de manier waarop we met preventie omgaan, inclusief de rol van de preventieadviseur hierbij? Zal preventie meer aanvaard worden, met meer engagement van alle betrokkenen? Denkt u dat we elkaar gemakkelijker zullen aanspreken op onveilig gedrag?

EK: “Het is moeilijk om voorspellingen op langere termijn te doen. Op korte termijn verwacht ik meer aandacht voor preventiemaatregelen en een veiligheidscultuur. Op langere termijn is het best mogelijk dat bedrijven in hun oude gewoontes zullen hervallen. Ik zie dit nu al af en toe gebeuren, met een terugkeer naar ‘business as usual’. Dit is niet de correcte aanpak. Algemeen vermoed ik dat we wel beter voorbereid zullen zijn op nieuwe epidemieën. Ik verwijs hierbij naar Aziatische landen en hun eerdere ervaringen met SARS. Ik voorspel ook dat we volgend jaar wellicht minder griepdoden zullen hebben, omdat we meer aandacht zullen besteden aan algemene hygiëne. Het is dus best mogelijk dat we binnen enkele jaren zullen terugkijken naar een pre- en post-coronatijdperk, waarbij de mensen bijvoorbeeld gestopt zijn met handen geven…”

 
U kunt deze podcast hier beluisteren.

Auteur: Geert Van Cauwenberge, Edelhart Kempeneers, Annelien Keereman

Gepubliceerd op 13-05-2020

  57