Bescherming van de preventieadviseur tegen ontslag: toepassing bij pensionering?

Bij arrest van 7 februari 2018 aanvaardt het arbeidshof van Brussel dat, zelfs indien de procedure van verplicht ontslag krachtens de wet van 20 december 2002 betreffende de bescherming van de preventieadviseurs niet werd gevolgd, de eiser van de vergoeding rechtsmisbruik kan plegen door de veroordeling van zijn ex-werkgever tot betaling ervan te vorderen.

De feiten

Een bediende die sinds 1986 voor onbepaalde duur in dienst werd genomen, wordt in november 2008 aangesteld als effectief vakbondsafgevaardigde. Hij oefent bovendien deeltijds de opdracht uit van preventieadviseur, die de IDPBW leidt voor de vestiging te Brussel van zijn werkgever, die een belangrijke vennootschap is. Deze functie wordt in 2011 een voltijdse functie.

Aangezien de betrokkene de pensioenleeftijd nadert, wint hij inlichtingen in over de intenties van de vennootschap met betrekking tot de beëindiging van zijn overeenkomst. Tijdens een vergadering wordt akte genomen van het feit dat de vennootschap akkoord gaat met het verzoek van de betrokkene tot pensionering. Hij wordt dus ontslagen met een opzeggingstermijn van 6 maanden, waarbij de werkgever verwijst naar artikel 83, § 1 van de wet van 3 juli 1978 (toen van toepassing).

De bediende betwist onmiddellijk de regelmatigheid van het ontslag en vordert tegelijkertijd een beschermingsvergoeding als preventieadviseur (twee jaar loon, dit is ongeveer 150.000 euro), alsook een beschermingsvergoeding gelet op zijn hoedanigheid van vakbondsafgevaardigde (een jaar loon, dit is ongeveer 75.000 euro).

Aangezien de partijen geen toenadering vinden, wordt de zaak aanhangig gemaakt bij de Franstalige arbeidsrechtbank van Brussel.

De procedure

Bij vonnis van 26 januari 2015 willigt de rechtbank de vordering tot beschermingsvergoeding als preventieadviseur in. Aangezien de vennootschap in het kader van de procedure een tegenvordering heeft ingesteld met betrekking tot een schadevergoeding gelijk aan de som van twee jaar, gelet op het foutieve gedrag van de betrokkene, heeft de rechtbank deze vordering eveneens ingewilligd.

De rechtbank heeft de wederzijdse schuldvergelijking toegestaan en ook de kosten omgeslagen.

De oorspronkelijke eiser tekent hoger beroep aan, waarbij hij zijn vordering tot veroordeling van de vennootschap tot de beschermingsvergoeding van twee jaar handhaaft. Hij vordert dat het hof de tegenvordering van de vennootschap ongegrond verklaart. Die handhaaft haar vordering.

De beslissing van het hof

Het hof onderzoekt uitgebreid in rechte de reglementering die van toepassing is op het ontslag van een preventieadviseur. De materie ligt in de wet van 20 december 2002 betreffende de bescherming van de preventieadviseurs en het hof herinnert eraan dat het doel van de bescherming als essentieel werd beschouwd. Het haalt uittreksels uit de parlementaire voorbereiding aan en stelt voorts dat de materie van de verbreking van met de preventieadviseur gesloten arbeidsovereenkomsten van openbare orde is, en de partijen er niet van kunnen afwijken. De wet dringt zich absoluut op en, volgens het hof, aangezien het een afwijkende beschermingsregeling betreft, moet ze strikt geïnterpreteerd worden. De werknemer kan geen afstand doen van de bescherming, maar kan afstand doen van het recht op vergoeding voor zover deze zijn privébelangen beschermt.

In de wettekst is bepaald dat een specifieke procedure moet worden gevolgd, maar in enkele gevallen legt de wet die niet op. Het ontslag in onderling akkoord of het ontslag van de preventieadviseur die de leeftijd van 65 jaar bereikt, zijn daarin niet voorzien.

In geval van niet-naleving van artikel 5 van de wet, dat de stappen van de te volgen procedure vermeldt, is de beschermingsvergoeding verschuldigd en die bedraagt twee jaar wanneer de preventieadviseur minder dan vijftien jaar prestaties in die hoedanigheid heeft.

De niet-naleving van de procedure is een autonome grond voor de betaling van de beschermingsvergoeding. Die is bovendien niet onderworpen aan de sociale zekerheid, maar er moet een bedrijfsvoorheffing worden ingehouden, aangezien het een opzeggingsvergoeding betreft in de zin van art. 31, lid 2, 3° WIB. 92.

In casu stelt het hof vast dat de procedure niet werd gevolgd en dat de vergoeding bijgevolg verschuldigd is.

Wat bovendien de tegenvordering betreft, neemt het hof aan dat er rechtsmisbruik is in hoofde van de betrokkene.

Na te hebben herinnerd aan de grondslagen van de theorie van het rechtsmisbruik wijst het hof op het feit dat er in casu een functioneel recht is, dit wil zeggen dat het een recht betreft dat wordt toegekend om slechts te worden gebruikt voor een bepaald doel dat door de wetgever is bepaald en dat, wanneer dit recht wordt afgewend van zijn doel, de theorie kan worden toegepast (het hof verwijst naar het arrest van het Hof van Cassatie van 29 maart 1982, nr. 6517). Het recht op de beschermingsvergoeding is in casu een functioneel recht, aangezien het werd ingesteld door de wetgever om de adviseur toe te laten zijn opdracht in alle onafhankelijkheid uit te oefenen. De uitoefening van een recht met een ander doel kan op grond van bovenstaande beginselen onrechtmatig blijken.

Bovendien staat in de criteria van het rechtsmisbruik ook het feit dat een persoon zijn recht uitoefent zonder belang of wettige reden of zonder redelijk en voldoende belang, waardoor aan een ander schade wordt berokkend. De rechter moet in dat geval de respectieve aanwezige belangen beoordelen, zoals het Hof van Cassatie in verschillende arresten heeft gesteld (het arbeidshof verwijst hier naar Cass., 17 mei 2002, nr. C.01.0101.F. en naar Cass., 30 januari 2003, nr. C.00.0632.F).

Het feit dat de titularis, tussen verschillende manieren om zijn recht uit te oefenen, met hetzelfde nut, de manier kiest die het meest nadelig is voor anderen of voor het algemeen belang, of die van die uitoefening, zelfs met een ander nut, op een manier die aan de rechthebbende een voordeel biedt dat onevenredig is ten opzichte van de ongemakken die eruit voortvloeien voor de medecontractant, is ook rechtsmisbruik (het hof verwijst naar hetzelfde arrest van 17 mei 2002, alsook naar een eerder arrest van 15 maart 2002, nr. C.01.0225.F).

Wat het gedrag van een beschermde werknemer betreft, werd in het kader van de wet van 19 maart 1991 geoordeeld dat, indien deze vraagt om te worden ontslagen om het brugpensioen te kunnen genieten en hij vervolgens van de werkgever de beschermingsvergoeding vordert, er misbruik is, waarbij het hof hier verwijst naar een arrest van het arbeidshof van Brussel van 23 februari 2011 (Arbh. Brussel, 23 februari 2011, J.T.T., 2012, p. 9). De rechtspraak heeft zich eveneens moeten buigen over het geval van een beschermde werknemer in het kader van dezelfde wetgeving, die had gevraagd om ontslagen te worden om werkloosheidsuitkeringen en een opleiding te genieten en een document had overhandigd waarin hij verklaarde af te zien van de bescherming die verband hield met zijn kandidatuur (het betreft hier een arrest van het arbeidshof van Brussel van 22 april 2014, J.T.T., 2014, p.455, becommentarieerd op SocialEye).

In casu neemt het hof aan dat het ontslag geenszins heeft plaatsgevonden om een reden die vreemd is aan de onafhankelijkheid van de betrokkene en dat, indien de procedure was nageleefd, laatstgenoemde geen recht zou hebben gehad op een beschermingsvergoeding. Aangezien dit recht werd ingevoerd met een bepaald doel, namelijk de uitoefening van de functie in volledige onafhankelijkheid mogelijk te maken, werd hij niet bedreigd, aangezien de betrokkene zelf had gevraagd om met pensioen te gaan. Het hof is van oordeel dat de vordering tot vergoeding geen ander doel heeft dan de vennootschap te schaden zonder wettige reden en dat het rechtsmisbruik betreft.

Het beginsel van de veroordeling van de eiser om zijn ex-werkgever te vergoeden voor de volledige schade die hem werd berokkend, wordt aanvaard. De debatten worden hier echter heropend wat de afrekening betreft.

Belang van de beslissing

Het arbeidshof van Brussel voert hier een delicate oefening uit, waarbij het de wetgeving ter bescherming van de preventieadviseurs, betreffende dewelke het hof eraan herinnert dat ze een openbare-ordekarakter heeft, afweegt tegen de algemene theorie van het rechtsmisbruik, met zijn verschillende vormen: het afwenden van een recht van zijn doel (toepassing van de theorie van de functionele rechten), het feit dat een persoon zijn recht uitoefent zonder belang of een wettige reden of zonder redelijke en voldoende evenredigheid, waardoor een derde schade wordt berokkend, alsook het feit dat de titularis, van de verschillende manieren om zijn recht uit te oefenen, met hetzelfde nut, de manier kiest die het meest schadelijk is voor derden of voor het algemeen belang of die van die uitoefening, zelfs met een ander nut, op een manier die aan de rechthebbende een voordeel biedt dat onevenredig is ten opzichte van de ongemakken die eruit voortvloeien voor de medecontractant (toepassing van de evenredigheidsleer).

Het arrest geeft, naast de herhaling van deze verschillende figuren van het rechtsmisbruik in het burgerlijk recht, toepassingsgevallen in het arbeidsrecht, in het bijzonder inzake ontslagbescherming.

De aard van een functioneel recht maakt dat het niet kan worden afgewend van zijn doel en die afwending werd in casu aanvaard. Merk overigens op dat het hof zelfs heeft opgemerkt dat de rechtsvordering geen ander doel had dan de ex-werkgever te schaden zonder wettige reden (een zeldzame vorm van rechtsmisbruik).

Arbh. Brussel, woensdag 7 februari 2018, AR 2015/AB/480

Socialeye.be

Gepubliceerd op 17-07-2018

Terra Laboris
Centre de recherche en droit social
  262