COVID-19: arbeidsongeval of beroepsziekte? Een update

 Het juridische standpunt, dat besmetting met COVID-19 als een arbeidsongeval kan (en zal) worden erkend, is momenteel nogal omstreden. Na enkele maanden van voortschrijdend medisch inzicht over de besmettingen, evalueert de auteur dit standpunt nogmaals met juridische argumenten.
 

Wat voorafging

Vrij kort na het uitbreken van de pandemie en de lockdown rees de juridische vraag of COVID-19 mogelijk het gevolg kan zijn van een arbeidsongeval, en dan ook als dusdanig kan (of sterker nog: moet) worden aangegeven. Op 2 april publiceerden senTRAL en HSE-Worldmijn korte antwoord: ja, mits er tijdens de uitvoering van de arbeidsovereenkomst ook een plotselinge gebeurtenis kan worden aangetoond die de besmetting kan veroorzaakt hebben.

Voor wie niet meteen met dit luik van de wetgeving vertrouwd is, is dit allicht nog wat cryptisch, en op 24 april volgde dan ook in dezelfde lijn deze long read. Daarin werd vertrokken vanuit de voorbereidende werken van de arbeidsongevallenwet en de omvangrijke rechtspraak waartoe deze de voorbije honderdvijftien jaar heeft geleid. Uitspraken over COVID-19 zijn er vandaag evident nog niet, maar rekening houdend met de ongewijzigde wetteksten en de interpretatie ervan in vrij vergelijkbare situaties, kan er geen twijfel over bestaan: de gezondheidsschade die voortspruit uit een besmetting met Sars-CoV-2 kan in aanmerking komen voor vergoeding op basis van de arbeidsongevallenwetgeving. Het gaat daarbij niet om een theoretische mogelijkheid in extreme of hoogst uitzonderlijke situaties. Het ongevalsbegrip, de dwingende in de wet opgenomen bewijsregels en de toepassing ervan door de rechtspraak in de voorbije jaren vergen weinig fantasie om tal van reële omstandigheden te bedenken waarin rechtbanken tot de conclusie kunnen en zullen komen dat in concrete cases COVID-19 dient te worden vergoed als arbeidsongeval.

Wij staan vandaag drie maanden verder, een eeuwigheid in deze snel evoluerende tijden. Een ideaal moment om even te bekijken hoe het standpunt werd onthaald, welke maatregelen inmiddels zijn genomen, en te evalueren of bijsturing in het licht hiervan aangewezen is. Het blijft daarbij onze enige bedoeling een correct en volledig beeld te geven van de actueel vigerende wetgeving.

Wat met de tegenargumenten?

Enkele verzekeraars, een externe dienst en een vakbond blijken op hun website het standpunt van Fedris over te nemen. Zij sluiten niet langer uit dat een erkenning volgt als arbeidsongeval, maar benadrukken “…dat het uiterst moeilijk, zo niet onmogelijk zal zijn om alle voorwaarden tegelijk te vervullen, bij gebrek aan het met zekerheid kunnen aantonen dat een plotselinge gebeurtenis aan de oorsprong van de besmetting ligt” (actueel o.m. terug te vinden op de website van Ethias, Attentia en het ACV). Er is met andere woorden een voorzichtige nuancering merkbaar, maar erg overtuigd lijkt men niet. Andere bronnen blijven categoriek stellen: nee, het coronavirus is een ziekte en ziekten zijn niet gedekt in een arbeidsongevallenverzekering; zie bijvoorbeeld de faq op de website van Allianz.

Deze argumentatie verbaast. De notie ‘arbeidsongeval’ vereist inderdaad het bestaan van een letsel, maar zowel de voorbereidende werken van de wet als de rechtspraak nemen eensgezind aan dat dit letsel niet noodzakelijk een trauma hoeft te zijn. Ook een ziekte kan met andere woorden in aanmerking komen voor vergoeding op basis van het arbeidsongevallenrecht, en in de rechtspraak zijn tal van voorbeelden terug te vinden waarbij met name infectieziektes probleemloos werden erkend als het gevolg van een arbeidsongeval. Niet de aard van de gezondheidsschade, maar de duurtijd van de oorzaak ervan vormt conceptueel inderdaad het onderscheid tussen arbeidsongevallen en beroepsziekten. De eerste notie vergt een plotselinge gebeurtenis, de tweede een langdurige blootstelling. Nu mag de medische kennis omtrent de wijze waarop een besmetting met Sars-CoV-2 kan worden opgelopen de voorbije drie maanden zijn geëvolueerd, in essentie blijft de wetenschap bij de vaststelling dat men niet bepaald lang moet worden blootgesteld aan het virus om het risico te lopen op besmetting. De droplet infection werd inmiddels weliswaar aangevuld met de mogelijke verspreiding via aerosol (zie o.m. het duidelijke filmpje waarin dr. Edelhart Kempeneers dit toelicht), maar ook daarbij gaat het om blootstelling gedurende enkele minuten. Onmiskenbaar kort dus.

Terecht wordt de opmerking gemaakt dat een plotselinge gebeurtenis moet worden bewezen. Wie pretendeert op het werk de infectie te hebben opgelopen zal dus effectief moeten aantonen dat hij aldaar contact had met een besmette collega of klant of met een door hen gecontamineerd oppervlak. Uiterst moeilijk, laat staan onmogelijk lijkt mij dat niet. Temeer daar de bewijsregels uit de arbeidsongevallenwet helemaal niet vereisen dat ook wordt aangetoond dat de besmetting precies aan dit bewezen contact kan worden toegeschreven. Het tegendeel is waar: zodra de besmetting en een mogelijke oorzaak zijn aangetoond, komt het de verzekeraar toe aan te tonen dat er geen enkel causaal verband is tussen beide. Als er al van iets kan gezegd worden dat dit uiterst moeilijk, zo niet onmogelijk zal zijn, is het wel het leveren van dit negatief bewijs.

Wat met de erkenning als beroepsziekte?

Vrij kort na het uitbreken van de pandemie startte Fedris op zijn website een ‘faq’ COVID-19, die ook vandaag nog start met de zin “COVID-19 is erkend als beroepsziekte”. Dit wordt in de erop volgende pagina’s verder uitgelegd en sterk genuanceerd, maar de meeste media hebben zich beperkt tot het overnemen van deze eerste zin.

De beroepsziektenwet definieert het begrip beroepsziekte niet, maar opteert in eerste instantie voor een lijstensysteem. Een ziekte komt in aanmerking voor vergoeding als beroepsziekte wanneer zij figureert op een bij koninklijk besluit vastgelegde lijst, en het slachtoffer bewijst dat hij gedurende zijn arbeid blootgesteld werd aan het beroepsrisico van deze ziekte. Sinds 1990 bestaat weliswaar de mogelijkheid om ook ziekten die niet op de lijst voorkomen als beroepsziekte te laten erkennen, maar dan moet het slachtoffer zelf aantonen dat de ingeroepen ziekte “op een determinerende en rechtstreekse wijze het gevolg is van de beroepsuitoefening”. Laat het duidelijk zijn: COVID-19 figureert niet op de lijst met beroepsziekten (KB 28 maart 1969). Wel kan het gevat worden onder de rubriek 1.404.03 van deze lijst: ‘Andere infectieziekten bij leden van het personeel werkzaam op het gebied van de preventieve geneeskundige verzorging, verpleging aan huis of laboratoriumwerk en andere professionele activiteiten in verzorgingsinstellingen waar een verhoogd infectierisico’. Nogal wat voorwaarden dus, en alles samen genomen wel voor een erg beperkte groep. Wie er nu concreet deel van uitmaakt wordt uitgelegd op de website van Fedris, iets verder in de faq.

Vijf parlementsleden van de PVDA dienden in deze context een wetsvoorstel is om die erkenning uit te breiden tot ‘alle infectieziekten bij personen die werkzaam waren in een periode waarin omwille van die ziekte op nationaal of regionaal niveau maatregelen werden gehandhaafd om het contact tussen de bevolking te beperken, en bij het uitoefenen van hun beroep fysiek in contact kwamen met collega’s of derden’ (Parl.Doc. Kamer, 2019-20, nr. 1160). In lijn hiermee, maar minder verregaand, besliste de ministerraad op 6 juni 2020 de lijst met beroepsziekten effectief aan te passen. Deze keer zal COVID-19 expliciet erkend worden als beroepsziekte, maar dan enkel voor de werknemers van de cruciale sectoren en essentiële diensten die effectief gewerkt hebben tijdens de lockdown. Een beduidend grotere groep dus deze keer, maar voor hen wordt de erkenning expliciet beperkt in de tijd. De ziekte moet worden vastgesteld in de periode van 18 maart tot en met 31 mei 2020. Buiten deze periode is er geen erkenning dus, en buiten de geviseerde groep al helemaal niet. De aanvangszin van de faq op de website van Fedris moet dus wel heel sterk gerelativeerd worden.

Het lijkt dan ook de vraag of de beroepsziektenwet effectief een oplossing biedt voor wie op of door het werk getroffen wordt door COVID-19. Twee onderzoekers van de ULB komen in een erg kritisch artikel tot de bevinding dat dit niet het geval is en spreken zelfs van het structureel falen van het systeem (S. Remouchamps en L. Vogel, ‘Le Covid-19 et les maladies professionnelles, ou quand la pandémie illustre les failles structurelles d’un régime’, Journal des Tribunaux de Travail 2020, 180-190). Hun conclusie mag dan wat scherp geformuleerd worden, in essentie bevestigt zij dat wie alle heil verwacht van de beroepsziektenwet, van een kale reis kan terugkomen.

Zoals we ook eerder schreven bevat noch de arbeidsongevallenwet, noch de beroepsziektenwet een mechanisme dat erkenning van een letsel in het ene systeem meteen de erkenning ervan in het andere systeem uitsluit. Er bestaat actueel geen voorrangsregeling tussen beide stelsels, afgezien van een summiere en een wat verscholen cumulatiebeperking, en dan nog enkel voor de privésector (art. 6 KB 13 december 2006). Structureel kan dan ook geen argument worden ontleend aan de erkenning van COVID-19 als beroepsziekte om de toepassing van de arbeidsongevallenwetgeving uit te sluiten.

En nu?

COVID-19 komt in een beperkt aantal gevallen in aanmerking voor vergoeding als beroepsziekte, maar kan en zal op basis van de actuele regelgeving in tal van situaties ook erkend kunnen worden als arbeidsongeval.

Dit is niet enkel verwarrend voor betrokken actoren. Het spoort ook niet met twee basiskenmerken van een goed functionerend systeem van sociale zekerheid: een duidelijke afbakening van de gedekte risico’s en het spaarzaam aanwenden van de beschikbare middelen. Het lijkt ons een evidente taak van de wetgever om hierin een duidelijke keuze te maken en die vast te leggen in een sluitende wettekst. Vandaag is die er helaas niet.

 
(Brugge, 5 juli 2020)
 
 

Auteur: Chris Persyn - Cautius.be

Gepubliceerd op 06-07-2020

  89