COVID-19 testen voor werknemers hebben weinig zin


 De diagnose van een actieve of doorgemaakte COVID-19 kan gesteld worden via een neus- of keeluitstrijkje, of met een bloedafname - naast gespecialiseerde onderzoeken zoals een CT-scan. Werkgevers zijn vragende partij om zulke testen structureel in te voeren voor de eigen werknemers. Maar is dat mogelijk, en zinvol?
 
Welke testen?
 
Testen op het virus zelf

Met een neus- of keeluitstrijkje (een ‘nasofaryngeale swab’) collecteert men het SARS-CoV-2 virus aanwezig in het slijmvlies. Het viraal RNA wordt vermenigvuldigd via een ‘omgekeerde transcriptase-polymerase kettingreactie’ (RT-PCR), en in labosetting kan men dan een welbepaald gen van het virus detecteren. Er bestaan ook snelle antigeentests waarbij het monster op een plaatje wordt geplaatst en het resultaat binnen enkele minuten kan worden afgelezen. Al op de eerste dag van de symptomen is deze test positief; in feite kan de test al enkele dagen vóór de eerste symptomen optreden een besmetting detecteren. De RT-PCR test via nasofaryngeaal uitstrijkje blijft positief tot ongeveer drie weken na de start van de symptomen; daarna blijven er te weinig viruspartikels in de neus of keel over.

Deze test is dus zeker bruikbaar om een actieve COVID-19 te objectiveren.

Wel opgelet: de sensitiviteit of gevoeligheid van de RT-PCR-test is 72%. Dat betekent dat deze testmethode in drie gevallen van tien besmette personen een vals negatief resultaat zal opleveren! De specificiteit van deze test is wel 100%, omdat het primerontwerp specifiek is voor de genoomsequentie van SARS-CoV-2. Dat betekent dat bij een positief resultaat, de kans quasi onbestaande is dat de persoon eigenlijk niet besmet is. De sensitiviteit van de snelle antigeentest ligt met 60% nog een stuk lager, en wordt dus enkel toegepast als eerste screening in een ziekenhuissetting.

 
Testen op de antilichamen

Een COVID-19 kan men ook indirect detecteren, door de immuunrespons van de besmette gastheer.

Vanaf de vierde dag na het begin van de symptomen zijn IgM, IgG en IgA antilichamen detecteerbaar in het bloed. Vanaf de tweede en derde week van de ziekte zijn deze in voldoende aantallen terug te vinden om een betrouwbaar testresultaat op te leveren.

Deze test is dus bruikbaar om een doorgemaakte COVID-19 te objectiveren.

De ‘sneltesten’ leveren via een bloeddruppel op een strookje na een tiental minuten al een resultaat. De betrouwbaarheid hiervan is echter variabel en doorgaans zeer laag, waardoor het FAGG via een  Koninklijk Besluit  een  verbod van zes maanden heeft opgelegd op het gebruik in België. Sinds mei zijn er wel serologische testen via labo-analyse beschikbaar. Wanneer uitgevoerd vanaf minstens twee weken na de start van symptomen, heeft deze methode een sensitiviteit van 97,4% en een specificiteit van 98,5%.

Toepassing op de werkvloer
 
Testen op het virus zelf

Hiermee kan men een actieve besmetting detecteren. Maar de test is zeker niet perfect: drie op de tien besmettelijke werknemers met symptomen worden via deze test verkeerd geclassificeerd.

Voor een structurele screening van alle werknemers op regelmatige basis is er te weinig testcapaciteit. Daarom heeft de overheid de toepassing ervan beperkt tot mensen met symptomen (via de huisarts) en mogelijke gevallen in een residentiële collectiviteit (zoals een woonzorgcentrum) of bij een lid van het zorgpersoneel. Ze is recent ook gebruikt in opdracht van de Belgische overheid door de externe diensten voor de screening van werknemers in zorginstellingen.

 
Testen op de antilichamen

Deze zijn onbruikbaar om actieve besmettingen op te sporen. Het kan wel inzicht geven aan de individuele werknemer of hij of zij de ziekte doorgemaakt heeft. Sowieso valt een dergelijk resultaat onder het medisch beroepsgeheim en mag de arbeidsarts dit niet terugkoppelen aan de werkgever. Deze informatie zou namelijk kunnen leiden tot een discriminatie van de werknemers, uitdrukkelijk verboden volgens de Wet op het Welzijn.

De werkgever zou zo wel via anonieme groepsresultaten een totaalbeeld krijgen van de werknemers die de ziekte hebben doorgemaakt. Dit zal doorgaans echter teleurstellende resultaten opleveren. Volgens de meest recente steekproeven blijkt 6% van de Belgische bevolking antilichamen te hebben tegen het SARS-CoV-2 virus. Dat betekent dat bij structurele bloedtests bij werknemers, gemiddeld 94% van de testen negatief zullen zijn.

Bovendien is nog niet zeker wat een positief resultaat concreet inhoudt. Er zijn nog geen garanties of dit ook een bescherming biedt tegen een nieuwe infectie, en zo ja, voor hoe lang. Omwille hiervan heeft de huisartsenvereniging Domus Medica dan ook een negatief advies opgesteld voor het uitvoeren van deze testen in het kader van arbeidsgeneeskunde. Een gelijkaardig standpunt vanuit Co-prev wordt verwacht, met ook aandacht voor de juridische implicaties.

Conclusie

De testen op het virus en op de antilichamen hebben op maatschappelijk vlak een cruciale rol te vervullen in het tijdig detecteren van actieve besmettingen door de Belgische overheid en het epidemiologisch opvolgen van de effectiviteit van de getroffen maatregelen in ons land. Op het niveau van de onderneming echter zijn ze momenteel nog niet zinvol. Dat kan in de toekomst wel nog veranderen op basis van voortschrijdend inzicht, nieuwe en betere testmethodes, en bijkomende testcapaciteit.

 
(illustratie: Unsplash – United Nations)

Auteur: Edelhart Kempeneers

Gepubliceerd op 19-05-2020

  216