De functie van preventieadviseur tijdens de COVID-19 pandemie

 De meeste preventieadviseurs zullen in deze coronatijden zeker niet tijdelijk werkloos zijn. Maar hoe moeten en kunnen zij concreet op deze situatie inspelen?
 

Elke werkgever is verplicht een interne dienst voor preventie en bescherming op het werk (IDPB) op te richten. Daartoe beschikt iedere werkgever over tenminste één preventieadviseur (artikel 33§1 van de welzijnswet). Deze verplichting blijft uiteraard ook gelden wanneer een werkgever geconfronteerd wordt met een verminderde activiteit vanwege de COVID-19 pandemie.

De opdrachten, zoals bepaald in de artikelen II.1-4 tot II.6 van de Codex over het welzijn op het werk (Codex), moeten worden uitgevoerd door de interne of de externe dienst voor preventie en bescherming op het werk (EDPB). De verdeling van deze taken wordt bepaald in de artikelen II.1-8 tot II.1-10 van de Codex. Zelfs indien de taken worden uitgevoerd door de EDPB, is de IDPB steeds belast met het verzekeren van de coördinatie met de EDPB, alle nuttige informatie te verstrekken aan de EDPB die zij nodig heeft voor het vervullen van haar opdrachten en de samenwerking met de EDPB te organiseren.

De IDPB moet dus steeds blijven functioneren om zijn opdrachten te kunnen vervullen.

Indien een groot aantal werknemers tijdelijk werkloosheid is, kan het zijn dat bepaalde opdrachten van de preventiedienst niet meer uitgevoerd moeten worden. Anderzijds zullen andere opdrachten meer werk vragen van de preventiediensten, omdat het risico van een pandemie en de preventiemaatregelen die genomen moeten worden om dit risico te beperken, in het verleden nog niet of onvoldoende werden geanalyseerd, zoals bijvoorbeeld:

  • identificatie van nieuwe gevaren door andere werkomstandigheden
  • advies verlenen over de resultaten die voortvloeien uit het vaststellen en nader bepalen van de risico’s en maatregelen voorstellen
  • advies verlenen over de (aangepaste) organisatie van de arbeidsplaats die aanleiding kan geven tot psychosociale risico’s
  • advies verlenen over de hygiëne op de arbeidsplaats
  • advies verlenen over het opstellen van instructies betreffende het gebruik van arbeidsmiddelen (ook reinigen) en het gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen
  • ter beschikking staan van de werkgever, de leden van de hiërarchische lijn en de werknemers voor alle vragen die rijzen met betrekking tot welzijn op het werk;
  • de organisatie van de (aangepaste) eerste hulp
  • verrichten van veelvuldige en systematische onderzoeken op de (aangepaste) arbeidsplaats
  • op vraag van de werkgever of op vraag van de betrokken werknemers de werkposten onderzoeken wanneer een werknemer wordt blootgesteld aan de verhoging van de risico’s of aan nieuwe risico’s

De indeling van de werkgevers in groepen (A, B, C of D) gebeurt op grond van twee criteria, nl. het aantal werknemers die zij tewerkstellen en de activiteiten van de tewerkgestelde werknemers. De berekeningswijze van het aantal werknemers is opgenomen in artikel II.1-2, §1 van de codex. Het aantal werknemers wordt berekend op basis van de tewerkstelling van de vier voorgaande trimesters. Een verminderde tewerkstelling over een beperkte periode zal er dus niet toe leiden dat de werkgever van groep verandert.

Een bedrijf van de groep A/B dient te beschikken over een preventieadviseur met aanvullende vorming van het eerste/tweede niveau (art. II.1-21, §1 van de codex). Een bedrijf van de groep C dient volgens de wettelijke bepalingen te beschikken over een preventieadviseur met minimaal een basiskennis (art. II.1-20 en art. II.4-24 van de codex).

De werkgever dient dus ook tijdens de COVID-19 pandemie over een preventieadviseur te beschikken met het juiste opleidingsniveau, die te allen tijde beschikbaar is om zijn opdrachten te vervullen (art. II.1-16, §2 van de codex).

Preventieadviseur in tijdelijke werkloosheid?

De werkgever heeft echter wel de mogelijkheid om de preventieadviseur op gedeeltelijke (deeltijdse) tijdelijke werkloosheid wegens overmacht te zetten. De preventieadviseur kan in dat geval werkloosheidsdagen en arbeidsdagen afwisselen. De werkloosheid moet altijd betrekking hebben op een volledige arbeidsdag. Op het einde van de maand moet er dan een aangifte gedaan worden bij de RVA van de uren tijdelijke werkloosheid van de betrokken maand. Op die manier heeft de preventieadviseur voldoende flexibiliteit om zijn opdrachten te vervullen, en is hij op zeer korte termijn beschikbaar.

Het comité voor preventie en bescherming op het werk (CPBW) moet geïnformeerd worden en advies geven over de aangepaste organisatie van de IDPB. Het comité moet namelijk de werking van de interne dienst opvolgen (art. II.7-6 van de codex). Onder Comité wordt verstaan: het CPBW, bij ontstentenis van een comité, de vakbondsafvaardiging, en, bij ontstentenis van een vakbondsafvaardiging, de werknemers zelf, overeenkomstig de bepalingen van artikel 53 van de wet.

Sleutelfunctie in crisisperiode
TWW dringt erop aan om de rol van de preventieadviseur in deze periode niet te reduceren. De preventieadviseur heeft namelijk een sleutelfunctie in het bedrijf. Zelfs bij tijdelijke werkloosheid van alle werknemers zal de preventieadviseur adviezen moeten geven met betrekking tot de heropstart van de onderneming. Voor bepaalde opdrachten is thuiswerk uiteraard wel mogelijk voor de preventieadviseur.
 

Gepubliceerd op 02-04-2020

Luc Van Hamme
Adviseur-generaal Arbeidsinspectie - TWW Hoofd van de regionale directies FOD WASO / Conseiller général Inspection du travail - Chef de la division du contrôle régional du bien-être SPF Emploi
  606