De strafrechtelijke verantwoordelijkheid van de externe dienst: nog geen vloedgolf aan vonnissen

De vraag of een externe dienst PBW op het werk strafrechtelijk verantwoordelijk kan worden gesteld lijkt pas het voorbije decennium echt relevant geworden in de rechtspraak. Nog steeds geen vloedgolf weliswaar, maar toch een merkwaardig fenomeen.
Basisvoorwaarden voor strafrechtelijke verantwoordelijkheid

In een eerdere bijdrage gaven wij reeds aan dat er binnen het welzijnsrecht sprake kan zijn van strafrechtelijke verantwoordelijkheid wanneer voldaan is aan drie voorwaarden:

  • er moet een inbreuk zijn op een concrete wetsbepaling die beveiligd wordt door een strafsanctie (het legaliteitsbeginsel),
  • iemand moet daar schuld aan hebben (het personaliteitsbeginsel) en
  • die ‘iemand’ moet geviseerd worden door de wet en meestal vergt dit dat hij over beslissingsbevoegdheid beschikt of specifiek in de wet genoemd wordt (de schuldtoerekening).
De taken van de externe dienst

Het vergt wat puzzelwerk om te achterhalen wat een externe dienst PBW op het werk nu exact mag en vooral moet doen. De klemtoon in de welzijnswetgeving ligt op de interne dienst PBW. De werkgever mag enkel aanvullend een beroep doen op een externe dienst voor alle opdrachten die zijn interne dienst niet zelf kan uitvoeren (art. 33, § 2 Welzijnswet). Die opdrachten zijn in essentie adviserend van aard: het bijstaan van de werkgever bij het toepassen van de preventiebeginselen uit de Welzijnswet (art. 33, § 1 Welzijnswet).


Ook de verdeling van de taken tussen interne en externe dienst is vrij complex. Deze verdeling ligt anders bij de bedrijven uit de verschillende groepen (A, B, C of D). Ze wordt principieel contractueel vastgelegd en het is de interne dienst die daarbij telkens de samenwerking moet organiseren en coördineren (art. II.1-11 Codex). De contractuele vrijheid wordt evenwel beperkt. De codex voorziet in een uitgebreide, maar ook complexe regeling, waarbij de rode draad is dat de taken van de externe dienst in essentie adviserend zijn van aard. Daarnaast geldt als vuistregel dat hoe kleiner de interne dienst is, hoe groter de verplichting om beroep te doen op de externe dienst.
Deze regelgeving  biedt weinig houvast wanneer het bij een ongeval komt tot strafvervolging. Op dat ogenblik is er immers nood aan een tekst die duidelijk de respectievelijke verplichtingen vastlegt en die is er naar ons oordeel niet. Zo lezen we dat de kleinere werkgever na een ernstig arbeidsongeval verplicht is een beroep te doen op zijn externe dienst, maar dat deze dienst vervolgens enkel de taken moet uitvoeren die de werkgever hem geeft (art. II.1-10, § 2, 3° Codex).
De complexe regelgeving moet finaal ook worden aangevuld met de bepalingen over de verplichte forfaitaire minimumbijdragen die werkgevers jaarlijks per werknemer verschuldigd zijn aan hun externe dienst. Art. II.3-16, § 1 Codex somt een waslijst aan prestaties op die door deze bijdrage gedekt zijn en waarvan dus moet worden aangenomen dat ze wat de kleinere bedrijven betreft door de externe dienst moeten worden uitgevoerd. Het is een raadsel hoe dat allemaal kan voor vergoedingen die variëren tussen 35,50 en 112 EURO per werknemer per jaar, maar voor een aantal verplichtingen mag een gestandaardiseerde werkwijze gehanteerd worden (art. II.31-6 Codex). Vanuit het oogpunt van echte preventie kunnen hier allicht vragen bij gesteld worden, als verweer ingeval van strafvervolging biedt een dergelijke bepaling zeker perspectief.

Wanneer kan een externe dienst strafbaar zijn

Het sociaal strafrecht viseert essentieel drie groepen van personen: de werkgever, zijn lasthebber of aangestelde. Zij hebben elk een stuk beslissingsbevoegdheid op het terrein van het welzijn op het werk. Het niet of verkeerd gebruik maken van deze bevoegdheid kan aanleiding geven tot hun strafrechtelijke verantwoordelijkheid.
De rechtsgrond die toelaat inbreuken op de welzijnswetgeving door externe diensten te bestraffen, zit vervat in artikel 127, 2° van het Sociaal Strafwetboek. Dit artikel voegt een extra categorie toe die niet tot het personeel van de werkgever behoort. Uit de voorbereidende werken blijkt dat hiermee onder meer de externe diensten en laboratoria werden bedoeld (Parl. St. Kamer BZ 1995, nr. 71/1, 33).

Concrete rechtspraak

Een eenvoudig verhaal blijkt dit niet en het wekt dan ook geen verbazing dat ook de rechtspraak niet meteen eenduidig blijkt in de concrete toepassing ervan. De gevallen waarin ook een externe dienst wordt gedagvaard voor de correctionele rechtbank blijven eerder uitzonderlijk, maar nemen wel toe. De rechtsgronden waarop dit gebeurt zijn erg verschillend, de finale beoordeling door de hoven en rechtbanken al evenzeer.

Zo vonden we één uitspraak terug waarbij de externe dienst werd veroordeeld voor het niet te hebben meegewerkt aan het identificeren van de gevaren, het geven van een advies over de resultaten hiervan en het verlenen van de advies voor de opstelling, uitvoering van bijsturing van het globaal preventieplan en het jaaractieplan. De rechtbank oordeelde uitdrukkelijk dat de werkgever het opstellen van een risicoanalyse aan deze dienst had gedelegeerd, waardoor hij een ‘lasthebber’ van de werkgever werd (Corr. Brussel 14 oktober 2015, not. nr. 69.97.6421/14, vonnis nr. 04133, ook deels gepubliceerd in Soc. Kron 2016, 113).
Voor het overige blijkt de rechtspraak zeer terughoudend in die zin dat telkens werd geoordeeld dat het oorzakelijk verband tussen een in essentie adviserende taak en de schade niet bewezen wordt. In mensentaal betekent dit: het valt niet met zekerheid te bepalen dat het advies – als het er wél zou zijn geweest – wel degelijk zou zijn gevolgd door de werkgever en àls het al zou zijn gevolgd, dat het ongeval dan met zekerheid niet zou zijn gebeurd.
Een uitgebreide versie van dit artikel vindt u terug op senTRAL.


Auteur: Chris Persyn (cautius.be)

Gepubliceerd op 10-08-2020

  36