Een eerste evaluatie van de nieuwe wetgeving re-integratie

Langdurig zieke werknemers die nog een arbeidsovereenkomst hebben kunnen sinds 2017 een beroep doen op een re-integratietraject. De wetgeving hierover is bedoeld om de kans op werkhervatting te doen toenemen, wat in het voordeel van werkgever en werknemer kan zijn. Wat is na bijna vier jaar de huidige stand van zaken, en welke wijzigingen dringen zich op?
 

Sinds 2017 is de wetgeving omtrent re-integratietrajecten opgenomen in de Codex. Na ongeveer vier jaar heeft de FOD WASO de tijd genomen om tot een evaluatie van deze nieuwe wetgeving te komen.

Een onderzoeksgroep van de KUL en de ULB heeft inmiddels een studie afgerond om tot een evaluatie te komen en verbeterpunten aan te brengen.

Die studie bevat heel wat interessant cijfermateriaal, waaruit we hieronder enkele evoluties en gegevens weergeven:

  • het aantal opgestarte re-integratietrajecten neemt stelselmatig toe:
    • 2017: 15.000
    • 2018: 27.500
    • 2019: 32.000
  • de meeste werknemers die in een officieel re-integratietraject stappen, krijgen de beslissing van definitieve arbeidsongeschiktheid: In dit geval kan een verbreking van de overeenkomst omwille van medische overmacht worden ingeroepen (in totaal werd het contract van 56% van de bevraagden verbroken omwille van medische overmacht; dat is veel, maar het goede nieuws is dat 37% van hen het werk hervatte bij een andere werkgever)
  • de aanvrager van een re-integratietraject is meestal de werknemer zelf of zijn behandelend arts (52%); in een minderheid van de gevallen betreft het de werkgever (32%) of de adviserend arts van de mutualiteit (16%)
  • de kans op werkhervatting verschilt niet wanneer het re-integratietraject wordt aangevraagd door werkgever of door werknemer: deze bevinding gaat in tegen de vaak gehoorde kritiek dat het re-integratietraject enkel door werkgevers wordt gebruikt om gemakkelijk en goedkoop werknemers te ontslaan
  • in totaal hervatte 42% van de bevraagde personen het werk na het re-integratietraject, maar dus meestal bij een andere werkgever
  • daarnaast wordt in de studie een opvallend onderscheid gemaakt tussen de officiële, formele weg van re-integratie en de informele weg van het “bezoek voorafgaand aan de werkhervatting” (die blijkbaar ook gevolgd kan worden)

De formele en informele situaties verschillen nogal sterk. Bij de formele weg (het re-integratietraject dus) is de arbeidsongeschiktheid vaker werkgerelateerd: stress, burn-out, conflict of omwille van musculoskeletale reden. Dit zou erop kunnen wijzen dat als er sprake is van werkgerelateerde problemen, de werknemers het formele re-integratietraject opstarten om aan de slag te kunnen gaan bij een andere werkgever. Bij de informele weg (bezoek voorafgaand aan de werkhervatting) hervatte 73% van de bevraagde personen het werk. De meerderheid hervatte het werk bij dezelfde werkgever (87%).

Conclusies en verbeterpunten

De voornaamste conclusie van deze evaluatie is dat de in 2017 ingevoerde wetgeving wel degelijk tot re-integratie van arbeidsongeschikte werknemers leidt, hetzij vaker bij een andere werkgever. Personen met een werkgerelateerd ziektebeeld (zoals burn-out), hebben meer kans om het werk te hervatten bij een andere werkgever.

Dit wil niet zeggen dat er geen verbeterpunten zouden zijn. De studie somt de volgende adviezen op.

Het re-integratieproces wordt vaak te laat opgestart, waardoor het geen soelaas meer kan bieden. Er zijn bijkomende maatregelen nodig die een vroegtijdige re-integratie bevorderen en een werkhervatting kunnen faciliteren.

Er ontbreekt nog te vaak een degelijke opvolging en begeleiding na medische overmacht.

Op het vlak van aangepast werk voor werknemers die het werk willen hervatten, moeten werkgevers meer inspanningen doen. De meest voorkomende aanpassing heeft te maken met “tijd” (stapsgewijze, progressieve werkhervatting). Maar vaak zijn andere, soms kleine aanpassingen mogelijk die een positief effect op de re‐integratie kunnen hebben (bijvoorbeeld ergonomische aanpassingen).

Huisartsen moeten actief betrokken worden bij het re-integratietraject van patiënten. Er is nood aan een multidisciplinaire samenwerking en communicatie tussen de verschillende ‘stakeholders‘.

Er moeten meer (financiële) incentives komen die werkgevers stimuleren om arbeidsongeschikte werknemers te re‐integreren. Ook voor werknemers is aanmoediging om het werk te willen hervatten erg belangrijk.

Het CPBW wordt in de praktijk te weinig aangesproken. Re-integratie zou een centrale plaats in de onderneming moeten innemen, en het CPBW moet dan ook de middelen krijgen om hier echt werk van te maken.

De samenvatting van de studie  is beschikbaar op de website van de FOD WASO (in PDF).

 
 

Auteur: Michiel Sermeus

Gepubliceerd op 30-11-2020

  84