Nieuwe EHBO-richtlijnen in coronatijden

 Omwille van de epidemische verspreiding van het SARS-CoV-2 virus gelden er vanuit het Rode Kruis nieuwe richtlijnen voor eerste hulp bij ongevallen in België. Deze zijn gebaseerd op het document van de Belgische Reanimatieraad (BRC) met ethische principes en richtlijnen.
 

In dit document zijn de richtlijnen vertaald naar een werksetting. 

1. Veiligheid van de eerstehulpverlener

Het algemene principe van eerstehulpverlening blijft gelden. Eerste hulp of reanimatie mag NIET worden gestart wanneer de veiligheid van de hulpverlener niet voldoende kan worden gegarandeerd. Aangezien men besmet kan zijn met het SARS-CoV-2 virus en toch (nog) geen symptomen hebben, wordt iedereen momenteel als ‘vermoedelijk besmet’ beschouwd.

Vermijd dus dat een persoon met een verhoogd risico op complicaties bij COVID-19 moet tussenkomen als hulpverlener. Sciensano heeft de volgende risicogroepen voor COVID-19 gedefinieerd:

  • 65 jaar of ouder
  • ernstige longaandoening (zoals COPD, rokerslong)
  • ernstige hart- of vaatziekte (zoals een doorgemaakt hartinfarct, bypassoperatie)
  • suikerziekte
  • nierziekte
  • verzwakt immuunsysteem (zoals bij HIV)
  • kanker (chemotherapie)

Ook mensen met een morbide obesitas (BMI 35) hebben waarschijnlijk een verhoogd risico op complicaties.

De hulpverlener moet anderhalve meter afstand van het slachtoffer houden, behalve wanneer er een levensreddende handeling uitgevoerd moet worden; en dan enkel indien de nodige beschermingsmiddelen beschikbaar zijn.

2. Richtlijnen bij de interventie zelf
- Geen levensreddende handeling

De hulpverlener moet op minstens anderhalve meter van het slachtoffer blijven. Wanneer mogelijk, wordt de interventie uitgevoerd in een verzorgingslokaal of afgesloten ruimte. De hulpverlener kan het slachtoffer vanop afstand en stapsgewijs aanwijzingen geven, bijvoorbeeld voor het stelpen van een bloeding, en verwittigt de hulpdiensten (112) als dat nodig is.

 
- Wel een levensreddende handeling

Alleen wanneer er een levensreddende handeling zoals bijvoorbeeld een reanimatie uitgevoerd moet worden, mag de hulpverlener dichterbij het slachtoffer komen. De hulpverlener moet wegwerphandschoenen en een chirurgisch of FFP2-masker dragen. Als de hulpverlener niet over deze beide beschermingsmaterialen beschikt, mag hij/zij het slachtoffer niet benaderen omdat de kans op besmetting te groot is. Een veiligheidsbril kan een nuttige aanvulling zijn, maar is niet verplicht. De hulpverlener kan eventueel ook een chirurgisch masker aanbrengen bij het slachtoffer.

Wanneer een reanimatie uitgevoerd moet worden, dan start de hulpverlener met borstcompressies. Indien nodig wordt ook een AED-toestel gebruikt. De hulpverlener geeft geen mond-op-mondbeademing, maar indien beschikbaar zijn beademingshulpmiddelen zoals een zakmasker wel toegelaten. Als de hulpverlener alleen is, dan verwittigt hij/zij ook onmiddellijk de hulpdiensten (112), of laat dat uitvoeren door een collega wanneer die beschikbaar is.

3. Richtlijnen na de interventie

Na de interventie moeten de gebruikte beschermingsmiddelen op een veilige manier gedeponeerd worden in de daartoe voorziene (bij voorkeur gesloten) containers.

Alle oppervlakken of voorwerpen gebruikt tijdens de interventie moeten ontsmet worden met een alcoholoplossing van minstens 70%, of met een oplossing van bleekwater (0,2% natriumhypochloriet in water; oftewel ca. 40 ml bleekwater opgelost in 1 liter water).

Het lokaal moet verlucht worden.

Tot slot moet de hulpverlener de handen zorgvuldig wassen met water en zeep.

De hulpverlener moet bij elke interventie de volgende elementen registreren:

  • de naam van de hulpverlener, het slachtoffer en eventuele getuigen
  • de plaats, de datum en het uur, de beschrijving en de omstandigheden van het ongeval of het onwel worden
  • de aard, de datum en het uur van de interventie
 

Auteur: Edelhart Kempeneers

Gepubliceerd op 20-04-2020

  289