Onderschatten bedrijven COVID-19-verspreiding via HVAC-systeem?

De verspreiding van het coronavirus is aan een nieuwe opmars tegen. Bedrijven en organisaties nemen – al dan niet opgelegd door beleidsmakers in ons land – tal van maatregelen om deze verspreiding te voorkomen of in te dammen. Een daarvan is een voldoende verluchting of ventilatie van bedrijfsruimtes en klaslokalen. Maar dat stelt weer nieuwe uitdagingen.
 

Het openen van ramen en deuren kan tijdens warme zomermaanden een oplossing zijn, maar op koudere herfst- en winterdagen is dit minder evident.
En in heel wat (nieuwe) kantoorgebouwen is het openen van ramen zelfs niet mogelijk. In dat geval moet een HVAC-systeem instaan voor het koelen of verwarmen van de lucht en het ventileren van propere lucht.

Het verschil tussen verluchten en ventileren

Bij ‘verluchten’ worden ramen en deuren die in contact staan met de buitenlucht  gedurende een bepaalde periode wijd opengezet. Dit wordt bijvoorbeeld sterk aangeraden in scholen, minstens tijdens de pauzes en tussen de lesuren.

Bij ‘ventileren’ wordt de lucht voortdurend ververst: vervuilde binnenlucht stroomt naar buiten en wordt vervangen door minder verontreinigde buitenlucht. Door het continue proces van ventilatie is dit een effectievere methode dan tijdelijk verluchten, om de transmissie van het SARS-CoV-2-virus te voorkomen.

Of toch niet?
HVAC-installaties versus de verspreiding van viruspartikels

De voorbije maanden is al veel inkt gevloeid over hoe viruspartikels zich verspreiden in een binnenruimte. Virussen verspreiden zich via druppels, die als ze zeer klein zijn verdampen tot zogenaamde aerosolen, waardoor de virusdeeltjes in de lucht beginnen rond te zweven. De Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) erkent dat overdracht in een ruimte een potentieel risico vormt.

Hedendaagse HVAC-installaties zijn voornamelijk gericht op energie-efficiëntie, zoals bepaald in de bouwnormen. Als gevolg hiervan hergebruiken ze meestal lucht van binnen het gebouw. Maar dit zorgt voor een ideale voedingsbodem voor de verspreiding van virussen en andere micro-organismen. De installatie uitzetten is vaak geen optie, omdat dit ten koste gaat van comfort (een voldoende warme of koele ruimte) en de toevoer van frisse lucht.

Met andere woorden: bedrijven zijn momenteel enkel verplicht om hun HVAC-installaties te controleren op het energetische aspect en de preventie van lekken. Het gezondheidsaspect komt jammer genoeg pas daarna in beeld.

Daarom is het belangrijk dat ondernemingen kwetsbare zones in kaart brengen om op die manier de gezondheidsrisico’s voor werknemers en bezoekers te minimaliseren. Risicoplekken zijn bijvoorbeeld plekken waarlangs lucht naar binnen of buiten gaat. En omdat filters in de meeste HVAC-systemen wel stofdeeltjes en bacteriën, maar geen viruspartikels tegenhouden, zijn aangepaste filters of toepassingen met UV-stralen het overwegen waard. En het is evident – maar jammer genoeg niet altijd in de praktijk toegepast – om installaties regelmatig te (laten) onderhouden en filters te vervangen.

Wat zijn goede ventilatieniveaus?

Voor kleine ruimtes met een beperkt aantal aanwezigen (kleine kantoren, spreekkamers, kleine vergaderzalen) geldt een niveau van ca. 1.000 m³/uur of 6-15 ACH (Room Air Changes per Hour). Dit is meestal enkel haalbaar door het openzetten van ramen en/of deuren. Als men ramen en deuren van tegenovergestelde gevels kan openzetten, dan is een kiepstand vaak al voldoende.

In ruimtes met grotere groepen (klassen, voorstellingen, restaurants, cafés…) geldt de norm van een CO2-concentratie die 900 ppm niet overschrijdt. Hiervoor is circa 40 m3/uur ventilatie per persoon nodig, met een minimum van ca. 1.000 m3/uur.

Als mechanische ventilatie onvoldoende is, dan kan men ramen en/of deuren in tegenovergestelde gevels op kiepstand zetten. Let wel: als u een afstand van meer dan 10 meter moet overbruggen tussen tegenovergestelde gevels, dan is deze werkwijze vaak onvoldoende effectief. Het blijft alleszins een doelstelling om (via ventilatie of verluchting) de CO2-concentratie niet boven 900 ppm te laten uitstijgen.

Werk aan de winkel in scholen, woonzorg- en sportcentra

Niet enkel in bedrijven verdient een goede binnenluchtkwaliteit alle aandacht. De Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen (SERV) trekt ook aan de alarmbel voor wat de luchtkwaliteit in scholen, woonzorg- en sportcentra betreft. Ondanks strenge ventilatievoorschriften scoort de gemiddelde kwaliteit van de binnenlucht in Vlaamse gebouwen ondermaats.

In goed geventileerde gebouwen kan het besmettingsrisico voor virussen tot tien keer lager liggen. Maar uit metingen blijkt dat de binnenluchtkwaliteit in Vlaamse klaslokalen ook al vóór de coronaperiode slecht was, met maar liefst 86% van de CO2-metingen die de richtwaarde overschreed. Waar deze norm stelt dat de concentratie lager moet zijn dan 900 ppm gedurende 95% van de tijd, ligt de gemiddelde CO2-concentratie in Vlaamse klaslokalen op ongeveer 1.200 ppm. Nog verontrustender is de vaststelling dat in zowat de helft van de klaslokalen boven de 2.000 ppm stijgt, met zelfs uitschieters tot 5.000 à 6.000 ppm.

De SERV pleit er bij de Vlaamse regering voor om dringend prioriteiten te bepalen voor een goede ventilatiestrategie. Zo vraagt ze onder meer een meetcampagne naar de actuele staat van het binnenklimaat in gebouwen in Vlaanderen. Ze ijvert ook voor de plaatsing van CO2-meters in de 50.000 Vlaamse klassen. En daarnaast is er dringend nood aan kwaliteitsvolle data over waar (cluster)besmettingen plaatsvinden.

Op korte termijn zijn er alternatieve maatregelen mogelijk waar dat praktisch haalbaar is, zoals een slimme capaciteitsvermindering van gebouwen, lesgeven en werken in open lucht, weersafhankelijke gebruiksadviezen en meer (collectieve) testen.

 

Auteur: Geert Van Cauwenberge

Gepubliceerd op 10-11-2020

  119