Twee pizza’s voor de boekhouding? De Welzijnswet en leveringen binnen bedrijven


 Leveringen in een bedrijf kunnen onder verschillende onderdelen van de  Welzijnswet vallen. Maar leveringen in het bedrijf die betrekking hebben op een bestelling die een medewerker van dat bedrijf voor eigen rekening heeft gedaan, vallen enkel onder de regels van  Hoofdstuk III van de Welzijnswet, en die zijn beduidend bescheidener.
 

Twaalfhonderd liter vloeibare stikstof, een nieuwe voorraad breekplaten, twee palletten papier. Maar ook de bestelling die de receptioniste plaatste bij bol.com, haar collega amateur-fotograaf bij Konijnenberg of die twee pizza’s voor de boekhouding. Bij de meeste bedrijven wordt elke dag wel wat geleverd, en dat zal de voorbije weken niet anders geweest zijn. Abstractie makend van de specifieke voorschriften inzake toegangscontrole tot bedrijven met gevoelige zones, gaan we in de Welzijnswet op zoek naar de regels waarmee bij dergelijke leveringen rekening moet worden gehouden.

Drie verschillende onderdelen van de Welzijnswet

De Welzijnswet regelt op drie verschillende niveaus de situatie waarin werknemers van verschillende werkgevers op eenzelfde plek actief zijn.

  • Hoofdstuk III  heeft het over tewerkstelling op eenzelfde, aanpalende of naburige arbeidsplaats, en legt de betrokken ondernemingen op om samen te werken, te coördineren en elkaar te informeren.
  • Hoofdstuk IV  regelt de werkzaamheden door ondernemingen van buitenaf, en verplicht daarbij tot het naleven van zowel formele als inhoudelijke regels. Zo moet er in deze situaties een geschreven overeenkomst voorliggen waarin specifieke clausules zijn opgenomen, en moet de werkgever in wiens inrichting gewerkt wordt door een werkgever of zelfstandige van buitenaf zorg dragen voor het informeren, controleren, onthalen en coördineren van de medewerkers van de onderneming van buitenaf. Hij moet er ook op toezien dat de contractor de welzijnsregels naleeft en, mocht dat niet het geval blijken, daar desnoods in zijn plaats voor zorgen.
  • Hoofdstuk V  regelt tenslotte de hypothese van de tijdelijke of mobiele bouwplaatsen.
Belang van de overeenkomst

Cruciaal voor de toepassing van  Hoofdstuk IV  (doorgaans omschreven als de ‘procedure werken met derden’) is het bestaan van een overeenkomst tussen de werkgever in wiens inrichting gewerkt wordt en de onderneming van buitenaf. Die laatste onderneming, door de wet omschreven als ‘de aannemer’, kan op zijn beurt dan wel een beroep doen op een ‘onderaannemer’, maar mits deze laatste identieke verplichtingen op te leggen. Leveringen bestemd voor een bedrijf zullen in regel onder de toepassing van dit hoofdstuk vallen. Tussen het ontvangende bedrijf en de leverancier bestaat immers per definitie een overeenkomst, en indien voor de levering al een beroep wordt gedaan op een transporteur of pakjesdienst zullen zij in deze context als ‘onderaannemer’ worden beschouwd. Bij leveringen in een bedrijf moeten dan ook alle facetten van de procedure ‘werken met derden’ nageleefd worden. Enkel leveringen waarbij de inrichting niet wordt betreden – op de stoep dus – ontsnappen hieraan.

Bestelling voor eigen rekening

Anders ligt dit voor leveringen die betrekking hebben op een bestelling die een medewerker van een bedrijf voor eigen rekening heeft gedaan. Zelfs wanneer de levering hiervan met al dan niet expliciete instemming van de werkgever op het werk gebeurt, ontbreekt hier een overeenkomst tussen de werkgever en de leverancier of de pakjesdienst waarop deze een beroep doet. Er opnieuw van uitgaande dat ook deze levering plaats vindt in het bedrijf, spelen hier enkel de regels uit  Hoofdstuk III van de Welzijnswet, en die zijn beduidend bescheidener.

(foto: Handy Wicaksono-Unsplash)


Auteur: Chris Persyn - Cautius

Gepubliceerd op 11-06-2020

  116